Leerstof Wft Basis
Wft Basis samenvatting 2026: de stof per eindterm
Bijgewerkt op · redactie Wftklaar · werkwijze
Op deze pagina
Dit is de stof van Wft Basis in één gratis samenvatting, per eindterm: van belastingen en erfrecht tot verzekeringsrecht en klantgesprekken. Alles volgt de wet- en regelgeving per 1 januari 2026, het uitgangspunt voor examens vanaf 1 april 2026. De bedragen zijn die van 2026, zoals het heffingsvrij vermogen van € 59.357 in box 3, de maximale kredietvergoeding van 12% en de NHG-grens van € 470.000.
Probeer het zelf: 10 vragen, gratis
Alle vijf vraagvormen, met je cijfer en een toelichting per vraag. Zonder account, in ongeveer 15 minuten.
Doe het gratis mini-examenZo is de stof van Wft Basis opgebouwd
De examenstof is verdeeld over 16 eindtermen: zeven eindtermen voor kennis (1a tot en met 1g) en negen voor vaardigheden, competenties en professioneel gedrag. De toetstermen onder elke eindterm zeggen wat je precies moet kunnen noemen, uitleggen of doen. Samen zijn dat 171 toetstermen; 1c.22, 1f.4 en 1f.9 zijn vervallen. De regels en bedragen op deze pagina gelden voor examens van 1 april 2026 tot en met 31 maart 2027.
| Eindterm | Onderwerp | Wat je moet kunnen | Toetstermen |
|---|---|---|---|
| 1a | Financiële huishouding | de geldzaken van een huishouden uitleggen: samenleven, erven, belasting, schulden | 12 |
| 1b | Sparen, betalen en beleggen | rekeningen, betaalproducten, spaarvormen, beleggingen en de depositogarantie beschrijven | 22 |
| 1c | Krediet en hypotheek | kredietvormen, kredietwaardigheid en hypotheekbegrippen uitleggen | 26 |
| 1d | Persoonlijke risico's en verzekeringen | risico's van een klant koppelen aan verzekeringen, sociale zekerheid en pensioen | 19 |
| 1e | Verzekeringsbegrippen | uitleggen hoe verzekeren werkt, van premieopbouw tot de WAM | 11 |
| 1f | Toezicht en gedragsregels | toezicht, vergunningen, zorgplicht, provisieregels, klachtroutes en privacyregels kennen | 38 |
| 1g | Verzekeringsrecht | de regels van de verzekeringsovereenkomst kennen: mededelingsplicht, schadevergoeding, opzeggen, premie | 24 |
| 2a–2d | Vaardigheden | rekenen, de identiteit controleren, overzichten en facturen maken, klanten benaderen, dossiers bijhouden | 7 |
| 3a–3d | Competenties | een intakegesprek voeren, klanten informeren, klachten behandelen, relaties beheren | 7 |
| 4a | Professioneel gedrag | integriteitsdilemma's analyseren en bespreekbaar maken | 5 |
De kennisvragen (K/B) over 1a tot en met 1g leveren 21 van de 63 punten op: 21 korte vragen van 1 punt. De andere 42 punten zitten in casussen, met 2 PG-vragen en 19 V/C-vragen van elk 2 punten. Daarin pas je dezelfde kennis toe op een klantsituatie. Wil je per onderwerp zien wat getoetst mag worden, bekijk dan alle toetstermen.
1a Financiële huishouding: belastingen, erfrecht en schulden
Eerst de basis: sparen is inkomen opzijzetten, ontsparen is interen op spaargeld en lenen is tijdelijk andermans geld gebruiken, meestal tegen rente (1a.1). In de kringloop stromen geld en goederen tegengesteld tussen gezinnen en bedrijven (1a.2), en elke levensfase verandert inkomsten, uitgaven, bezit en schulden (1a.3).
Samenleven en toestemming van de partner
- Sinds 1 januari 2018 trouw je volgens art. 1:94 BW automatisch in een beperkte gemeenschap van goederen: gezamenlijk is alleen wat een van beiden tijdens het huwelijk verkrijgt en wat jullie vooraf al samen bezaten. Erfenissen, schenkingen en wat ieder vooraf alleen had, ook schulden, blijven privé, tenzij de schenker of erflater anders bepaalde. Bij een huwelijk vóór 2018 zonder huwelijkse voorwaarden geldt nog de algehele gemeenschap. (1a.4)
- Voor een geregistreerd partnerschap gelden dezelfde regels, ook in het erfrecht. Ongehuwd samenwonenden hebben geen wettelijk erfrecht en leggen afspraken vast in een samenlevingscontract en testament. (1a.4)
- Volgens art. 1:88 BW heb je voor vier handelingen toestemming van je echtgenoot of geregistreerd partner nodig: de woning waarin jullie wonen verkopen, verhuren of met hypotheek bezwaren; ongebruikelijke of bovenmatige giften; borgtocht buiten je beroep of bedrijf; en goederenkrediet (bijvoorbeeld huurkoop of koop op afbetaling). Ontbreekt de toestemming, dan kan alleen de partner de handeling vernietigen. (1a.7)
Erfrecht
- Zonder testament erven vier groepen, en elke groep gaat voor de volgende (art. 4:10 BW). Groep 1: echtgenoot of geregistreerd partner en kinderen; groep 2: ouders, broers en zussen; groep 3: grootouders; groep 4: overgrootouders. Een ouder erft nooit minder dan een kwart, en de kinderen van een overleden kind erven in diens plaats (plaatsvervulling). (1a.5)
- Is er een echtgenoot met kinderen, dan regelt art. 4:13 BW via de wettelijke verdeling dat de langstlevende alle goederen krijgt en de schulden voldoet. De kinderen krijgen elk een geldvordering ter waarde van hun erfdeel, die pas opeisbaar wordt bij de dood, het faillissement of de schuldsanering (Wsnp) van de langstlevende, of zoals het testament bepaalt. Voorbeeld: € 240.000 en twee kinderen geeft drie erfdelen van € 80.000. (1a.5, 2a.1)
- Wordt een kind onterfd, dan kan het zijn legitieme portie inroepen: een geldbedrag van de helft van wat het zonder testament had geërfd (in het voorbeeld € 40.000), in te roepen tot 5 jaar na het overlijden. Partner en ouders hebben dit recht niet. (1a.5)
- Een erfgenaam kiest onherroepelijk: zuiver aanvaarden (ook aansprakelijk met eigen vermogen), beneficiair aanvaarden (alleen aansprakelijk met de nalatenschap) of verwerpen. Wie zich als eigenaar gedraagt, heeft zuiver aanvaard. (1a.5)
Schenk- en erfbelasting 2026
| Vrijstelling 2026 | Bedrag |
|---|---|
| Schenken door een ouder aan een kind (jaarlijks) | € 6.908 |
| Schenken door een ouder, eenmalig verhoogd (kind 18–40 jaar) | € 33.129 (dure studie € 69.009) |
| Schenken aan ieder ander, kleinkinderen inbegrepen (jaarlijks) | € 2.769 |
| Erven door de partner (ook samenwonend, onder voorwaarden) | € 828.035 |
| Erven door een kind of kleinkind | € 26.230 |
| Erven door de ouders (samen) | € 62.110 |
| Erven door overige verkrijgers | € 2.769 |
- Het tarief over het deel boven de vrijstelling hangt af van de relatie. Partner en kinderen betalen tot € 158.669 een tarief van 10%, daarboven 20%. Voor kleinkinderen is dat 18% en 36%, en voor alle anderen, onder wie ouders, broers en zussen, geldt 30% en 40%. (1a.6)
- Erfbelasting gaat over alles wat iemand door het overlijden krijgt, de verkrijging krachtens erfrecht. Erft een kind € 100.000, dan betaalt het 10% over € 73.770: € 7.377. Schenkbelasting betaalt de ontvanger, die aangifte doet vóór 1 maart van het volgende jaar, tenzij de schenking binnen de vrijstelling blijft. (1a.6, 2a.1)
Inkomstenbelasting: wat valt in welke box?
| Box | Wat erin valt | Tarief 2026 |
|---|---|---|
| 1: werk en woning | loon, winst uit onderneming, resultaat uit overige werkzaamheden, periodieke uitkeringen en verstrekkingen (bijvoorbeeld lijfrente-uitkeringen en alimentatie), inkomsten uit de eigen woning | tot € 38.883: 35,75%; tot € 78.426: 37,56%; daarboven 49,50%. Vanaf de AOW-leeftijd is schijf 1 maar 17,85% |
| 2: aanmerkelijk belang | dividend en vervreemdingsvoordelen bij een belang van minstens 5%, alleen of met je partner | 24,5% tot € 68.843, daarboven 31% |
| 3: sparen en beleggen | een fictief rendement over de rendementsgrondslag (bezittingen min schulden) op peildatum 1 januari | 36% |
- Eigen woning 2026: renteaftrek tegen maximaal 37,56%; een eigenwoningforfait van 0,35% van de WOZ-waarde voor woningen tot € 1.350.000 (vanaf € 75.000), boven die grens € 4.725 plus 2,35% over het meerdere; een Hillen-aftrek (bij weinig of geen eigenwoningschuld) van 71,867%, die per 2041 verdwijnt. (1a.8)
- Box 3 rekent met forfaitaire rendementen: voor banktegoeden 1,28% (voorlopig), voor overige bezittingen zoals beleggingen 6,00% en voor schulden 2,70% (voorlopig). Heffingsvrij is € 59.357 per persoon, voor fiscale partners samen € 118.714. Schulden tellen pas boven € 3.800 per persoon, en groene beleggingen zijn vrijgesteld tot € 26.715 per persoon. Een alleenstaande met € 100.000 spaargeld betaalt zo € 187,28 (met het voorlopige percentage). (1a.8, 2a.1)
Identiteit, BKR, handelingsbekwaamheid en schulden
- Legitimatie onder de Wwft: een paspoort, een Nederlandse of EU-identiteitskaart, een Nederlands of EU-rijbewijs, of een vreemdelingen- of vluchtelingendocument. Een rijbewijs mag dus. Een rechtspersoon controleer je met een uittreksel uit het KvK-handelsregister. (1a.9)
- Het BKR registreert consumentenkrediet van meer dan € 250 dat langer loopt dan 1 maand, ook private lease en schuldhulp. Van een hypotheek op het eigen huis komt alleen een achterstand erin, zonder bedrag. Achterstanden worden gemeld na 2 maanden (aflopend krediet) of 3 maanden (doorlopend krediet). Na afloop van het krediet blijven de gegevens nog 5 jaar zichtbaar. (1a.10)
- Iedereen is handelingsbekwaam, behalve minderjarigen (jonger dan 18) zonder toestemming van hun wettelijk vertegenwoordiger en wie onder curatele staat. Onder beschermingsbewind blijf je bekwaam, maar over de goederen onder bewind beslis je alleen samen met de bewindvoerder. Mentorschap gaat alleen over persoonlijke zaken, zoals zorg. (1a.11)
- Bij schulden moet de gemeente helpen (Wgs): een eerste gesprek binnen 4 weken, bij dreigende ontruiming of afsluiting binnen 3 werkdagen. Een minnelijke regeling duurt in de praktijk 18 maanden. Lukt die niet, dan volgt via de rechtbank de Wsnp, die sinds 1 juli 2023 normaal ook 18 maanden duurt, met daarna een schone lei. De beslagvrije voet ligt in beginsel op 95% van de bijstandsnorm. (1a.12)
Verder lezen: Heffingsvrij vermogen 2026, box 1 t/m 3 en erfrecht.
1b Sparen, betalen en beleggen: rekeningen, spaarvormen en depositogarantie
Een rekening openen en toetsen
- Een betaalrekening kan op naam van één persoon staan of van meerdere. Bij een en/of-rekening beschikt ieder zelfstandig, bij een en-en-rekening alleen samen. (1b.1)
- Elke consument met rechtmatig verblijf in de EU kan een basisbetaalrekening krijgen: binnen 10 werkdagen geopend, zonder rood staan. Kan de bank niet aan de Wwft voldoen, dan moet ze weigeren. (1b.1, 1b.2)
- Bij het openen identificeert en verifieert de bank de klant, stelt ze vast waarvoor de rekening dient (en bij een rechtspersoon wie de UBO is), raadpleegt ze registers en sanctielijsten en legt ze alles vast. (1b.2)
De vier toetsen van 1b.3:
| Toets | Wat er wordt gecontroleerd | Doel |
|---|---|---|
| BKR | lopende kredieten en betalingsachterstanden | overkreditering voorkomen |
| EVA, nu EVR | het Extern Verwijzingsregister van financiële instellingen: incidenten zoals fraude, maximaal 8 jaar bewaard | een veilige en integere financiële sector |
| VIS | gestolen, vermiste of ongeldige identiteitsbewijzen | identiteitsfraude voorkomen |
| UBO | de natuurlijke persoon met meer dan 25% eigendom of zeggenschap | witwassen en terrorismefinanciering via constructies tegengaan |
Betalen aan de toonbank en giraal
- Aan de toonbank: chartaal geld (munten en biljetten), pinnen, contactloos betalen (bedragen van maximaal € 50 zonder pincode, na € 100 aan contactloze betalingen weer met pincode) en de creditcard (achteraf betalen per maand; een limiet boven € 250 komt bij het BKR). (1b.4)
- Giraal: de gewone en de periodieke overboeking, internetbankieren, iDEAL en incasso. Een incasso kan de betaler tot 8 weken na afschrijving onvoorwaardelijk terugdraaien (art. 7:531 BW). De acceptgiro wordt in de toetsterm nog genoemd, maar is per 1 juni 2023 afgeschaft. (1b.5)
Sparen en banksparen
- Er zijn drie spaarmotieven: zekerheid (een buffer), een doel (een aankoop) en vermogen (laten groeien). Een bank trekt spaargeld aan als stabiele, relatief goedkope bron voor kredieten en verdient aan het renteverschil. (1b.6, 1b.7)
- Vrij opneembaar is de (internet)spaarrekening met variabele rente. Niet direct opneembaar zijn het deposito (vaste looptijd en vaste rente), termijnsparen en geblokkeerde rekeningen voor lijfrente of eigen woning. Bijboeken en opnemen gaat meestal via de tegenrekening op eigen naam. (1b.8, 1b.9, 1b.11)
- Hoe langer het geld vastligt, hoe hoger meestal de rente; internetsparen geeft vaak meer door lagere kosten. De klant weegt liquiditeit, rendement en risico. (1b.14, 1b.15)
- Sparen is geld vrijwel zonder risico wegzetten, beleggen is meer rendement zoeken met kans op verlies, investeren is geld steken in productiemiddelen voor latere opbrengsten. (1b.10)
- Lijfrentesparen is fiscaal gefaciliteerd: inleg binnen de jaar- of reserveringsruimte verlaagt je box 1-inkomen, het tegoed telt niet mee in box 3 en over de latere uitkeringen betaal je box 1-belasting. Eigenwoningsparen bestaat alleen nog voor producten van vóór 1 januari 2013 (overgangsrecht); de uitkering is in 2026 onder voorwaarden vrijgesteld tot € 207.500. (1b.12, 1b.13)
Beleggen
- Bij een open beleggingsfonds koop en verkoop je participaties bij het fonds zelf: het aantal varieert en de koers blijft dicht bij de intrinsieke waarde. Een besloten fonds geeft een vast aantal participaties uit; die wisselen op de beurs van eigenaar, soms boven of onder de intrinsieke waarde. (1b.16)
- Zes categorieën: aandelen (eigendom, dividend, stemrecht), obligaties (lening met couponrente), vastgoed, liquide middelen, derivaten zoals opties en turbo's (vaak met hefboom) en beleggingsobjecten zoals bomen of wijn die een ander voor je beheert. (1b.17)
- Van laag naar hoog risico: liquide middelen, obligaties, aandelen, en bovenaan derivaten en beleggingsobjecten. Waar vastgoed staat, verschilt per bron. (1b.18)
- Bij obligaties bewegen rente en koers tegengesteld: stijgt de marktrente, dan zakt de koers van bestaande obligaties, en meer naarmate de looptijd langer is. Aandelen lijden doorgaans ook onder een rentestijging. (1b.19)
Depositogarantie en beleggerscompensatie
- Het depositogarantiestelsel beschermt tegoeden tot € 100.000 per bank voor elke rekeninghouder. Rekeningen onder verschillende merknamen van één bank worden opgeteld; een gezamenlijke rekening van twee mensen is samen tot € 200.000 beschermd. (1b.21)
- Een tijdelijk hoog saldo is 6 maanden na storting tot € 500.000 extra gedekt, alleen voor particulieren met een aantoonbare reden, bijvoorbeeld geld uit de verkoop of aankoop van je eigen huis, een erfenis, een ontslagvergoeding of een uitkering uit pensioen of verzekering. (1b.21)
- DNB keert binnen 7 werkdagen uit, uit een fonds dat de banken vooraf vullen. Het stelsel geldt voor particulieren en de meeste ondernemingen, verenigingen en stichtingen. Banken, verzekeraars, pensioenfondsen en overheden vallen erbuiten, net als beleggingen, verzekeringen en crypto. (1b.20, 1b.21)
- Voor beleggers is er het beleggerscompensatiestelsel: tot € 20.000 per belegger, als een betalingsonmachtige bank of beleggingsonderneming geld of effecten van klanten niet kan teruggeven. Een koersdaling valt daar niet onder. (1b.21)
Test of je weet welke tegoeden eronder vallen:
Voorbeeldvraag
max. 1 puntWelke twee tegoeden vallen onder het depositogarantiestelsel als een Nederlandse bank failliet gaat?
Rekeningen na een overlijden
- Na een overlijden zet de bank de rekeningen van de overledene op slot, behalve een en/of-rekening: die kan de andere rekeninghouder gewoon gebruiken. Het saldo komt vrij voor wie bevoegd is, zoals de executeur of alle erfgenamen gezamenlijk, op vertoon van een verklaring van erfrecht of executele van de notaris. Zonder de executeur kunnen erfgenamen niet over de nalatenschap beschikken (art. 4:145 BW). (1b.22)
Verder lezen: Depositogarantiestelsel, BKR, krediet en hypotheek 2026.
1c Krediet en hypotheek: lenen, kredietwaardigheid en zekerheid
Kredietwaardigheid en BKR-toets
- Kredietwaardigheid rust op moraliteit (betaalgedrag, BKR), financiële positie (inkomen, vermogen en lasten zoals wonen, kredieten, alimentatie en studieschuld) en zekerheden (onderpand, borgtocht, hypotheek). (1c.1, 1c.17)
- De BKR-toets moet overkreditering voorkomen. De kredietgever raadpleegt het register bij een krediet boven € 250, vraagt boven € 1.000 financiële gegevens op en weigert een onverantwoord krediet (art. 4:34 Wft). (1c.6)
- De aanvrager moet handelingsbekwaam zijn (18 of ouder, niet onder curatele; bij bewind werkt de bewindvoerder mee). Goederenkrediet en borgtocht vragen toestemming van de partner, en de leeftijd telt mee voor de looptijd tot de AOW-leeftijd. (1c.7)
Consumptief krediet
- Consumptief krediet is een lening of uitstel van betaling voor een particulier die iets voor privé besteedt. De regels staan in Boek 7 BW (titel 2A) en de Wft; hypothecair krediet valt erbuiten. (1c.2)
- Het bedrag dat je leent heet kredietsom (bij doorlopend krediet geldt de limiet); alles wat je ervoor betaalt is de kredietvergoeding, en het JKP geeft de totale kosten als percentage per jaar. Het maximum voor de kredietvergoeding ligt 8 procentpunt boven de wettelijke rente van 4%: 12% per 1 januari 2026 (in 2025 nog 14%). (1c.3)
- Bij geldkrediet ontvang je een geldbedrag; bij goederenkrediet neem je een roerende zaak mee en betaal je die later. De vormen: aflopend krediet (persoonlijke lening met een vaste looptijd en vaste termijnen), doorlopend krediet (binnen een limiet steeds opnieuw opnemen), rekening-courantkrediet (afgesproken roodstand; rood staan zonder afspraak is een overschrijding) en huurkoop (koop op afbetaling met eigendomsvoorbehoud van de verkoper). (1c.4, 1c.5)
- Vóór het sluiten ontvangt de klant de Europese standaardinformatie; daarna heeft hij 14 kalenderdagen om zonder opgave van redenen te herroepen. Vervroegd aflossen mag altijd, met hoogstens 1% vergoeding en alleen bij een vaste rente. Kredietreclame bevat de zin "Let op! Geld lenen kost geld". De herziene EU-kredietrichtlijn (CCD2) gold op de peildatum nog niet. (1c.10)
- Het hele krediet terugvorderen mag pas bij minstens 2 maanden achterstand, en als de klant na een ingebrekestelling nog steeds niet betaalt (art. 7:77 BW). Ontbinden kan alleen via de rechter. (1c.8)
- Krediet loopt via de aanbieder zelf, via een bemiddelaar met vergunning of via een winkel. De aanbieder blijft verantwoordelijk voor de toetsing, en een kredietbemiddelaar krijgt zijn beloning uitsluitend van de aanbieder, nooit van de klant (art. 4:74 Wft). (1c.11)
Hypotheek: recht, onderpand en notaris
- Een hypothecair krediet is een lening waarvoor de woning met een recht van hypotheek als zekerheid dient. Met dat recht van hypotheek op het registergoed gaat de geldverstrekker voor bij verhaal (art. 3:227 BW), en bij wanbetaling mag hij de woning via een notaris openbaar laten verkopen zonder rechterlijke uitspraak (parate executie). Het recht kan ook toekomstige vorderingen dekken (art. 3:231 BW). (1c.9, 1c.12, 1c.24)
- Let op de richting: de klant is als eigenaar hypotheekgever, want hij verleent het recht; de geldverstrekker is hypotheeknemer. (1c.9)
- Registergoederen, zoals woningen, grond en ingeschreven schepen en luchtvaartuigen, gaan alleen over door inschrijving in de openbare registers, die het Kadaster bijhoudt. (1c.14)
- De notaris stelt de leveringsakte en de hypotheekakte op en laat ze inschrijven. Daarbij controleert hij registers en beslagen en verrekent hij het geld via zijn kwaliteitsrekening. (1c.21)
- Een bank loopt renterisico (rentewijzigingen raken waarde of resultaat), liquiditeitsrisico (niet op tijd kunnen betalen, bijvoorbeeld bij massale opnames) en valutarisico (koersverandering van vreemde valuta). (1c.13)
Hoeveel mag je lenen? Taxatie, normen en NHG
- De hypotheek mag in 2026 niet hoger zijn dan 100% van de woningwaarde, of 106% als je ook energiebesparende voorzieningen financiert. Als woningwaarde telt de koopsom, of de marktwaarde (zo nodig na verbouwing) volgens een taxatierapport van ten hoogste twaalf maanden oud; voor NHG mag het rapport hoogstens 6 maanden oud zijn. (1c.15)
- De marktwaarde is de geschatte prijs waarvoor een koper en een verkoper, allebei bereidwillig, de woning op de peildatum zouden overdragen; de executiewaarde is de vermoedelijke opbrengst bij een gedwongen verkoop. De WOZ-waarde heeft als peildatum een jaar vóór het kalenderjaar. (1c.16)
- Het inkomen bepaalt de leenruimte via het financieringslastpercentage dat de Tijdelijke regeling hypothecair krediet voorschrijft; studieschuld verlaagt die ruimte. Met een goed energielabel mag extra: van € 5.000 (label C of D) tot € 40.000 (A++++ met energieprestatiegarantie). (1c.18, 1c.19)
- Met NHG staat de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen borg voor de lening. De klant krijgt daardoor een lagere rente, en na een gedwongen verkoop met verlies kan het fonds de restschuld kwijtschelden als de klant te goeder trouw handelde. In 2026 ligt de NHG-grens op € 470.000, of € 498.200 inclusief energiebesparende voorzieningen, en de eenmalige borgtochtprovisie op 0,4%: voor een hypotheek van € 400.000 betaal je € 1.600. (1c.20)
Aflossen en rente
Hypotheekrente op een eigenwoningschuld die vanaf 2013 is aangegaan, is alleen aftrekbaar bij minstens annuïtaire aflossing in hoogstens 360 maanden (1c.23):
| Aflossingsvorm | Bruto maandlast | Renteaftrek bij een lening vanaf 2013 |
|---|---|---|
| Annuïteit | gelijk, met een steeds kleiner rentedeel en een groter aflossingsdeel | ja |
| Lineair | daalt door een vaste aflossing per maand | ja |
| Aflossingsvrij | alleen rente | nee |
| Spaar-, beleggings- of levenhypotheek | rente plus kapitaalopbouw | nee |
- De rente staat vast gedurende de rentevaste periode of is variabel en kan dan tussentijds veranderen. Een langere rentevaste periode kost doorgaans een hogere rente. (1c.25, 1c.26)
Betalingsachterstand en tijdelijk uitstel
- Bij een hypotheek mag de geldverstrekker het huis pas laten veilen als de vordering minstens 2 maanden opeisbaar is, en nadat hij de klant persoonlijk voor overleg heeft uitgenodigd (art. 7:128a BW). (1c.27)
- Vanaf 18 juli 2025 is een kredietgever verplicht om bij betalingsproblemen waar passend respijt te geven: bijvoorbeeld uitstel van betaling voor een periode, verlenging van de looptijd, verlaging van de rente, tijdelijk niet aflossen of een deel kwijtschelden (art. 7:128aa BW voor hypotheken, art. 7:70a BW voor consumptief krediet). (1c.27)
- Daarnaast kan de rechtbank tijdens schuldhulp een moratorium opleggen, of bij een bedreigende situatie een voorlopige voorziening treffen, elk voor maximaal 6 maanden. (1c.27)
Verder lezen: Depositogarantiestelsel, BKR, krediet en hypotheek 2026, en over de beloning van kredietbemiddelaars Zorgplicht Wft en provisieverbod: zo zit het.
1d Persoonlijke risico's en verzekeringen: sociale zekerheid, zorg en pensioen
Eindterm 1d telt 19 toetstermen, bijna allemaal op kennisniveau: risico's indelen, de passende verzekering noemen en weten wat de sociale zekerheid al dekt.
Welke verzekering bij welk risico
- Een klantprofiel legt situatie, doelen, kennis, ervaring en risicobereidheid van de klant vast. Het is de basis voor passend advies en voor het dossier. (1d.1)
- Verzekerbare risico's vallen in vier groepen: zaken (brand, diefstal, storm), personen (ziekte, arbeidsongeschiktheid, overlijden, lang leven), aansprakelijkheid en vermogen of inkomen (rechtsbijstand, werkloosheid). (1d.2)
| Risico | Gangbare verzekeringen | Verplicht of vaak geëist |
|---|---|---|
| Materieel bezit (1d.3) | Opstal, inboedel, auto, caravan, boot, kostbaarheden | WA voor motorrijtuigen (WAM); een opstalverzekering eist de geldverstrekker meestal contractueel bij een hypotheek |
| Gezondheid (1d.4) | Basis- en aanvullende zorgverzekering, tandarts, arbeidsongeschiktheid (AOV), ongevallen | De basisverzekering (Zvw) |
| Aansprakelijkheid en vermogen (1d.5) | Aansprakelijkheid particulieren (AVP), WAM, rechtsbijstand, beroepsaansprakelijkheid | WAM; beroepsaansprakelijkheid voor onder meer verzekeringsbemiddelaars |
| Leven en dood (1d.6) | Overlijdensrisico (ORV), uitvaart, lijfrente, pensioen | Bij een hypotheek vaak een ORV |
- Arbeidsongeschiktheid: een AOV voor zelfstandigen, een WGA-hiaat- of WIA-excedentverzekering voor werknemers, een verzuimverzekering voor de werkgever die loon doorbetaalt, en een woonlastenverzekering of betalingsbeschermer. (1d.13)
- Een ongevallenverzekering keert meestal een vast bedrag uit bij overlijden of blijvende invaliditeit door een ongeval. Het is dan een sommenverzekering, maar wettelijk geen levensverzekering (art. 7:975 BW). (1d.14)
Volks- of werknemersverzekering
| Wet | Soort | Dekt | Uitvoerder |
|---|---|---|---|
| AOW | Volksverzekering | Ouderdom | SVB |
| Anw | Volksverzekering | Overlijden van de kostwinner | SVB |
| Wlz | Volksverzekering | Langdurige zorg | SVB; de zorg loopt via zorgkantoren en het CAK |
| AKW | Volksverzekering, zonder premie | Kosten van kinderen (kinderbijslag) | SVB |
| Ziektewet (ZW) | Werknemersverzekering | Ziekte, als er geen werkgever is die doorbetaalt | UWV |
| WW | Werknemersverzekering | Werkloosheid | UWV |
| WIA (WGA en IVA) | Werknemersverzekering | Langdurige arbeidsongeschiktheid | UWV |
- Volksverzekeringen gelden voor alle inwoners van Nederland, en voor wie hier zonder er te wonen loonbelasting betaalt. De premie wordt geheven in schijf 1 van box 1: AOW 17,90% + Anw 0,10% + Wlz 9,65% = 27,65%, tot een inkomen van € 38.883. Dat is maximaal € 10.751. (1d.8)
- Werknemersverzekeringen gelden alleen in loondienst. Zzp'ers en directeur-grootaandeelhouders zijn niet verplicht verzekerd; een zzp'er kan zich vrijwillig bij het UWV verzekeren voor de ZW en de WIA. (1d.7)
- Ziek: de werkgever betaalt 104 weken door, minstens 70% van het loon en in het eerste jaar niet minder dan het minimumloon (art. 7:629 BW). Wie geen werkgever (meer) heeft, zoals een uitzendkracht of WW'er, valt terug op de ZW. (1d.7, 1d.9)
- WIA na een wachttijd van 104 weken, vanaf 35% arbeidsongeschiktheid: IVA bij minstens 80% en duurzaam, anders WGA. (1d.7)
- WW als je 26 van de laatste 36 weken werkte: 3 maanden, en met de jareneis (4 van de laatste 5 jaar) langer, tot maximaal 24 maanden. De eerste 2 maanden 75% van het WW-maandloon, daarna 70%. (1d.7)
- Maximumdagloon per 1 januari 2026: € 304,25. (1d.7)
- Gemoedsbezwaarden kunnen bij de SVB ontheffing van premie krijgen per volksverzekering, of voor alle werknemersverzekeringen tegelijk. Ze betalen een vervangende belasting en krijgen vanaf de AOW-leeftijd een even hoge uitkering in plaats van AOW. (1d.10)
AOW-leeftijd en Anw
| Jaar | AOW-leeftijd |
|---|---|
| 2025, 2026 en 2027 | 67 jaar |
| 2028 tot en met 2031 | 67 jaar en 3 maanden |
- Vijf jaar van tevoren ligt de AOW-leeftijd vast; per jaar extra levensverwachting schuift hij 8 maanden op (2/3-koppeling). Elk verzekerd jaar in de 50 jaar daarvoor geeft 2% AOW. (1d.8, 1d.18)
- Een nabestaande heeft alleen recht op Anw als hij zorgt voor een ongehuwd kind jonger dan 18 of minstens 45% arbeidsongeschikt is, en dan tot de AOW-leeftijd. Aanvullen kan met een partnerpensioen (onder de Wtp op risicobasis, tot 50% van het laatst genoten pensioengevend loon), een nabestaandenoverbruggingspensioen of een ORV. (1d.6, 1d.17)
Zorg: eigen risico en polisvormen
- Vier wetten vergoeden zorg: de Zvw (curatieve zorg, via de zorgverzekeraar), de Wlz (langdurige zorg) en, via de gemeente, de Wmo 2015 en de Jeugdwet. (1d.15)
- Wie Wlz-verzekerd is, moet een basisverzekering sluiten, en de verzekeraar heeft een acceptatieplicht. Kinderen jonger dan 18 betalen geen premie en hebben geen eigen risico. (1d.15)
- Eigen risico 2026: verplicht € 385 per jaar vanaf 18 jaar, vrijwillig maximaal € 500 extra. De huisarts valt erbuiten. (1d.15)
- Zorgtoeslag 2026: maximaal € 129 per maand voor een alleenstaande en € 246 met een toeslagpartner, bij een toetsingsinkomen tot € 40.857 en € 51.142. (1d.15)
- Polisvormen: natura, restitutie of combinatie; een budgetpolis is een naturapolis met minder gecontracteerde zorgverleners. Voor aanvullende verzekeringen geldt geen acceptatieplicht. (1d.16)
Pensioen: drie pijlers en de Wtp
- Drie pijlers: de AOW (overheid), werkgeverspensioen (via een pensioenfonds, verzekeraar of premiepensioeninstelling) en eigen aanvulling, zoals lijfrente en banksparen. (1d.18)
- De Wet toekomst pensioenen (Wtp) geldt sinds 1 juli 2023. Nieuwe regelingen zijn een solidaire of flexibele premieovereenkomst, zonder doorsneesystematiek. Fondsen moeten uiterlijk 1 januari 2028 over zijn. (1d.18)
- Een bpf dient een of meer bedrijfstakken (deelname kan verplicht zijn), een opf één onderneming of groep, en het apf (sinds 2016) meerdere niet-verbonden werkgevers in afgescheiden collectiviteitkringen. (1d.19)
- Verzekeraars dragen risico's in ruil voor premie; pensioenfondsen voeren regelingen collectief en zonder winstoogmerk uit. DNB houdt prudentieel toezicht, de AFM gedragstoezicht. (1d.12)
Verder lezen: AOW-leeftijd 2026 en sociale zekerheid voor Wft Basis
1e Verzekeringsbegrippen: premie, bezit, aansprakelijkheid en WAM
Eindterm 1e telt 11 toetstermen. Vijf zijn begrip: je moet kunnen uitleggen waarom een verzekeraar rekent zoals hij rekent. De rest gaat over de polissen die bijna elk huishouden heeft.
Zo rekent een verzekeraar
- Wet van de grote aantallen: hoe meer gelijksoortige risico's een verzekeraar draagt, hoe dichter de werkelijke schade bij de verwachte kans ligt. Daardoor kan hij een betrouwbare premie vaststellen. (1e.1)
- Reserveren: hij legt voorzieningen aan voor gemelde schaden die nog niet zijn afgewikkeld, voor schaden die nog gemeld gaan worden en voor vooruitbetaalde premie; bij levensverzekeringen ook voor de opgebouwde verplichtingen. DNB houdt daar toezicht op. (1e.2)
- Gemiddeld schadebedrag: de risicopremie is de kans op schade maal het gemiddelde schadebedrag per verzekerde. Zonder dat bedrag valt er geen premie te berekenen. (1e.3)
- Risicospreiding: één storm of grote brand mag een verzekeraar niet omverwerpen. Daarom herverzekert hij, deelt hij grote risico's met andere verzekeraars (co-assurantie met een leidende verzekeraar, of een pool), houdt hij een maximum eigen behoud aan en spreidt hij over regio's en producten. (1e.4)
Waaruit de premie bestaat
risicopremie + opslag voor kosten + opslag voor winst en solvabiliteit = brutopremie
De kosten zijn onder meer provisie, beheer en schadebehandeling. Er komen poliskosten bij, en kortingen zoals no-claimkorting gaan eraf. Over premie plus kosten komt 21% assurantiebelasting, die de verzekeraar aan de klant doorberekent. (1d.11, 1e.5)
Voorziening of verzekering
- Voorziening: geen premie, inkomensafhankelijk en betaald uit belastinggeld, zoals bijstand (Participatiewet) en toeslagen. (1e.6)
- Sociale verzekering: wettelijk verplicht, met premie, uitgevoerd door SVB of UWV. (1e.6)
- Particuliere verzekering: vrijwillig, op basis van een contract, zoals een inboedelverzekering of AVP. (1e.6)
Bezitsverzekeringen en hun begrippen
- Gangbaar zijn opstal (het gebouw), inboedel, kostbaarheden, autocasco (beperkt of allrisk), reisverzekering (onder meer bagage) en glas. (1e.7)
- De wet gaat bij een gebouw in beginsel uit van de herbouwwaarde en bij andere zaken van de vervangingswaarde (art. 7:956 BW). (1e.8)
| Begrip (1e.8) | Betekenis |
|---|---|
| Herbouwwaarde | Wat het kost om het gebouw na schade opnieuw op te bouwen |
| Nieuwwaarde | Wat een nieuwe, gelijkwaardige zaak kost |
| Dagwaarde | Nieuwwaarde min de waardevermindering door slijtage en veroudering |
| Onderverzekering | Verzekerde som lager dan de werkelijke waarde: de vergoeding daalt naar verhouding |
| Garantie tegen onderverzekering | De verzekeraar doet geen beroep op onderverzekering |
| Eigen risico | Het deel van de schade dat de klant zelf draagt |
Aansprakelijkheid, rechtsbijstand en WAM
- De AVP dekt de wettelijke aansprakelijkheid van het gezin, maar niet met een motorrijtuig. Bij letsel of overlijden kan de benadeelde eisen dat de verzekeraar rechtstreeks aan hem betaalt (art. 7:954 BW). (1e.9)
- De WAM beschermt verkeersslachtoffers. De bezitter van een motorrijtuig en de kentekenhouder moeten het verzekeren zodra het op de weg komt of op kenteken staat; een geschorst kenteken heft die plicht op. (1e.10)
- De polis dekt de aansprakelijkheid van bezitter, houder, bestuurder en passagiers, in de hele EER. Schade aan de bestuurder zelf hoeft niet gedekt te zijn. (1e.10)
- Minimaal verzekerd op 1 januari 2026, per gebeurtenis: € 6.450.000 personenschade en € 1.300.000 zaakschade. Voor voertuigen die zijn ingericht voor meer dan 8 passagiers: € 10.836.000 personenschade. (1e.10)
- De benadeelde heeft een eigen recht tegen de verzekeraar (art. 6 WAM). Tot de minimumbedragen kan de verzekeraar hem geen uitsluitingen tegenwerpen; hij kan het bedrag daarna wel verhalen op zijn verzekeringnemer. (1e.10)
- Is de dader onbekend of onverzekerd, het voertuig gestolen of de verzekeraar insolvent, dan betaalt het Waarborgfonds Motorverkeer, tot de minimumbedragen. De RDW legt het kentekenregister naast het verzekeringsregister; onverzekerd rijden is strafbaar. (1e.10)
- Rechtsbijstand: een gezinsrechtsbijstandverzekering helpt bij geschillen van het gezin (als consument, werknemer, bewoner of verkeersdeelnemer), een motorrijtuigenrechtsbijstandverzekering bij verhaal na een verkeersongeval en geschillen over het voertuig, en een bedrijfsrechtsbijstandverzekering bij geschillen van ondernemers. Ze dekken de kosten van juridische hulp en procedures. (1e.11)
Verder lezen: Verzekeringsrecht Wft Basis: mededelingsplicht en premie
1f Toezicht en gedragsregels: AFM, DNB, Kifid en zorgplicht
Eindterm 1f heeft de meeste toetstermen: 38. Bij negen daarvan moet je iets uitleggen, zoals waarom er een provisieverbod is of hoe de klachtroute loopt.
DNB, AFM en Kifid naast elkaar
| DNB | AFM | Kifid | |
|---|---|---|---|
| Taak | Prudentieel toezicht: soliditeit van ondernemingen en stabiliteit van het stelsel (art. 1:24 Wft) | Gedragstoezicht: ordelijke markt en zorgvuldige behandeling van klanten (art. 1:25 Wft) | Klachteninstituut, geen toezichthouder |
| Vergunningen | Verzekeraars; banken samen met de ECB | Adviseurs, bemiddelaars, kredietaanbieders, gevolmachtigd agenten, beleggingsondernemingen | Geen |
| Verder | Voert het depositogarantiestelsel uit | Houdt een openbaar register van vergunninghouders bij | Behandelt geschillen; gratis voor consumenten |
- Het systeemtoezicht uit de toetsterm, gericht op een stabiel financieel stelsel, ligt ook bij DNB. Op significante banken in de eurozone houdt sinds november 2014 de ECB direct toezicht. (1f.13, 1f.14, 1f.20)
- Een AFM-vergunning is nodig voor krediet aanbieden, adviseren, bemiddelen, optreden als gevolmachtigd agent en beleggingsdiensten. Zo komen alleen betrouwbare, deskundige en solide partijen op de markt. (1f.25)
- Banken, verzekeraars en verbonden bemiddelaars hebben voor advies of bemiddeling geen eigen AFM-vergunning nodig; zelfstandige adviseurs, bemiddelaars en gevolmachtigd agenten wel. (1f.38)
- Wie het oneens is met een boete van AFM of DNB, maakt eerst bezwaar bij de toezichthouder. Daarna volgen beroep (rechtbank Rotterdam) en hoger beroep (College van Beroep voor het bedrijfsleven). Tegen een vonnis: gerechtshof, daarna Hoge Raad. (1f.21)
Klagen bij het Kifid
- De klant klaagt eerst via de interne klachtenprocedure van de dienstverlener, die verplicht is aangesloten bij het Kifid (art. 4:17 Wft). Na diens definitieve standpunt, of na 8 weken zonder, kan hij naar het Kifid: binnen 3 maanden na dat standpunt (als hij op die termijn is gewezen) of 1 jaar na de eerste klacht, wat het gunstigst is. (1f.5)
- Bindend wordt een uitspraak alleen als beide partijen dat afspreken. Boven € 250.000 (leden van het Verbond van Verzekeraars of de NVB) of € 100.000 (overige) wordt een bindende uitspraak toch niet-bindend. Maximale vordering: € 1.000.000. (1f.5)
- De Commissie van Beroep staat open als de uitspraak bindend was, het belang minstens € 25.000 is (of met toestemming) en de klant binnen 6 weken in beroep gaat; een consument betaalt € 500 eigen bijdrage. Wie een niet-bindend advies krijgt, kan nog naar de rechter. (1f.5, 1f.21)
Zorgplicht, adviesregel en adviestraject
- Zorgplicht (art. 4:24a Wft): elke financiëledienstverlener, ook een aanbieder, bemiddelaar of gevolmachtigd agent, houdt zorgvuldig rekening met de gerechtvaardigde belangen van de klant; een adviseur handelt bovendien in diens belang. Het is een open norm. (1f.15, 1f.18)
- De wet regelt dit omdat de klant minder weet dan de dienstverlener en een verkeerde keuze veel kan kosten, zoals de woekerpolisaffaire liet zien. (1f.16)
- De AFM handhaaft de zorgplicht met leidraden, voorlichting en zo nodig boetes, maar alleen bij evidente misstanden. Met een claim kan een klant bij het Kifid of de rechter terecht. (1f.17)
- Adviesregel (art. 4:23 Wft): vraag naar financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid, baseer het advies daarop en licht het toe. Wie niet adviseert, meldt dat bij aanvang. (1f.19)
- In de lesstof staat daartegenover de eigen verantwoordelijkheid van de klant: juiste en volledige informatie geven, lezen wat hij krijgt en zelf afwegen. (1f.22)
- Effectendienstverlening: execution only, beleggingsadvies of vermogensbeheer. (1f.32)
- Zes kwaliteitseisen: betrouwbaarheid, geschiktheid, financiële zekerheid, adequate en integere bedrijfsvoering, zorgplicht en transparantie. (1f.33)
- Adviestraject: inventarisatie → risicoanalyse → advies → beheer en mutatie → nazorg en schadebehandeling. (1f.34)
Verkoop, beloning en provisieverbod
- Rechtstreekse verkoop past bij eenvoudige producten en klanten die zelf kiezen: geen bemiddelingskosten, wel distributie- en advieskosten bij de aanbieder. Via bemiddeling vergelijkt en adviseert een tussenpersoon, en helpt hij bij sluiten, beheer, schade en beëindiging. (1f.6, 1f.7, 1f.10, 1f.28–1f.31)
- Beloning: provisie (waar toegestaan), fee of vast tarief, uurtarief of abonnement. (1f.11)
- Provisieverbod sinds 1 januari 2013 bij een betalingsbeschermer, complex product, hypothecair krediet, AOV, ORV, premiepensioenvordering en uitvaartverzekering. De klant betaalt de adviseur zelf, zodat provisie het advies niet stuurt. Voor beleggingsdiensten aan niet-professionele beleggers geldt een verbod sinds 1 januari 2014. (1f.8)
- Inducementnorm bij overige schadeverzekeringen: provisie mag, als de klant kosteloos hoort dát er provisie is, welke en hoeveel, en als die zijn belang niet schaadt. Een kredietbemiddelaar wordt alleen door de aanbieder beloond (art. 4:74 Wft). (1f.12)
- Verbonden bemiddelaar: werkt in naam en voor rekening van een aanbieder. Gebonden: is contractueel verplicht alleen voor bepaalde aanbieders te bemiddelen, en meldt dat. Ongebonden: kiest vrij uit het marktaanbod, en adviseert op basis van een objectieve analyse van een toereikend aantal vergelijkbare producten. (1f.36, 1f.37)
- De aanbieder controleert de vergunning van de bemiddelaar, informeert hem goed en meldt belangrijke of stelselmatige misstanden bij de AFM; de bemiddelaar controleert de vergunning van de aanbieder. (1f.23, 1f.24)
- Een beroepsaansprakelijkheidsverzekering is verplicht voor adviseurs en bemiddelaars in verzekeringen (niet voor banken, verzekeraars en verbonden bemiddelaars) en voor bemiddelaars in hypothecair krediet. Minimum bij verzekeringen: € 1.564.610 per aanspraak en € 2.315.610 per jaar. (1f.35)
- Samenwerking: co-assurantie, herverzekering, pools, volmachtbedrijven, Stichting CIS en brancheorganisaties. (1f.26)
Informatie voor de klant
- Informatiebronnen: overheid (AFM, Wijzer in geldzaken), markt (Nibud, Consumentenbond) en brancheorganisaties. (1f.1)
- Eid tijdig vóór de klant zich bindt, bij beleggingsproducten, beleggingsverzekeringen en derdepijlerpensioenproducten. IPID vóór het sluiten van een schadeverzekering. Vergelijkingskaart vóór de dienstverlening bij producten onder het provisieverbod; die verving op 1 april 2023 het dienstverleningsdocument. (1f.2, 1f.3)
- De verzekeringskaart uit de toetsterm is geen wettelijk document: ze komt uit de zelfregulering van het Verbond van Verzekeraars en volgt het IPID. De financiële bijsluiter bestaat sinds 1 januari 2018 niet meer. (1f.2)
Privacy en fraude
- AVG-rechten: inzage, rectificatie, wissing, beperking, overdraagbaarheid, bezwaar en geen besluit dat alleen automatisch is genomen. Toezicht: Autoriteit Persoonsgegevens; een datalek meld je binnen 72 uur. (1f.39)
- Persoonsgegevens zijn gewoon, bijzonder (zoals gezondheid of religie; verwerken is verboden, tenzij een uitzondering geldt) of strafrechtelijk. Het BSN gebruik je alleen als een wet dat toestaat. (1f.40)
- Zes grondslagen: toestemming, overeenkomst, wettelijke verplichting, vitaal belang, algemeen belang en gerechtvaardigd belang. (1f.40)
- FISH (Fraude en Informatie Systeem Holland) is het systeem van verzekeraars bij Stichting CIS om risico's te beoordelen en verzekeringsfraude te bestrijden. (1f.27)
Verder lezen: AFM en DNB: verschil, taken en klagen bij het Kifid, Zorgplicht Wft en provisieverbod: zo zit het en Wat is de Wft?
1g Verzekeringsrecht: mededelingsplicht, schadevergoeding en premie
Eindterm 1g (24 toetstermen) volgt titel 17 van Boek 7 BW. Uitleggen moet je vooral de mededelingsplicht en wat er gebeurt bij wanbetaling.
Hoe een verzekering ontstaat en wie wie is
- Een verzekering ontstaat vormvrij: een aanbod plus de aanvaarding ervan is genoeg (art. 6:217 BW), of de klant nu rechtstreeks, via een tussenpersoon of via een gevolmachtigd agent sluit. De polis (art. 7:932) legt de afspraak vast, maar is geen voorwaarde. (1g.1, 1g.2)
- Acceptatie en aanvraagformulier hebben geen eigen wetsartikel. Gebruikte de verzekeraar een vragenlijst, dan telt alleen wat hij vroeg, tenzij de klant hem wilde misleiden (art. 7:928 lid 6). (1g.3, 1g.4)
- Verzekeringnemer: sluit de overeenkomst. Verzekerde: bij schade wie recht heeft op vergoeding, bij sommen op wiens leven of gezondheid de polis slaat. Begunstigde: krijgt de uitkering; zonder aanwijzing is dat de verzekeringnemer. Premiebetaler: geen wettelijk begrip. (1g.5)
- Voorlopige dekking en dekkingsbevestiging zijn praktijkbegrippen zonder wetsartikel. (1g.6, 1g.7)
Schade, sommen en persoon
- Verzekeren (art. 7:925 BW): tegen premie belooft de verzekeraar uit te keren, eventueel in natura, als zich een onzeker voorval voordoet. (1g.8)
| Soort | Kenmerk | Voorbeelden |
|---|---|---|
| Schadeverzekering (art. 7:944; 1g.9) | Vergoedt vermogensschade, nooit meer dan de schade | Inboedel, opstal, autocasco, ziektekosten |
| Sommenverzekering (art. 7:964; 1g.10) | Keert een afgesproken bedrag uit, los van de schade; mag alleen bij persoonsverzekeringen en bij AMvB aangewezen verzekeringen | Levensverzekering, ongevallenverzekering met vaste uitkering |
| Persoonsverzekering (art. 7:925 lid 2; 1g.11) | Betreft leven of gezondheid; kan schade- of sommenverzekering zijn | Ziektekosten (schade), overlijdensrisico (sommen) |
De mededelingsplicht in drie artikelen
- Art. 7:928: vóór het sluiten meldt de klant alles wat hij weet of zou moeten weten en wat de beslissing van de verzekeraar kan beïnvloeden. Een strafrechtelijk verleden hoeft hij alleen te melden als de verzekeraar daar uitdrukkelijk naar vraagt, en dan over de laatste 8 jaar. (1g.12)
- Art. 7:929: de verzekeraar moet zich binnen 2 maanden na ontdekking op de schending beroepen, met de gevolgen erbij. Direct opzeggen mag hij alleen als de klant hem wilde misleiden, of als hij met kennis van de ware stand nooit had verzekerd. (1g.12)
- Art. 7:930: verzwegen feit niet van belang voor de schade → volledige uitkering; hogere premie of lagere som → uitkering naar evenredigheid; andere voorwaarden → uitkering alsof die golden; nooit verzekerd of opzet tot misleiding → geen uitkering. (1g.12)
Wat de verzekeraar niet of naar verhouding vergoedt
- Eigen gebrek (art. 7:951): schade door de aard of een gebrek van de verzekerde zaak zelf wordt niet vergoed, tenzij de polis het meeverzekert. (1g.13)
- Opzet en roekeloosheid (art. 7:952): wie de schade zo veroorzaakt, krijgt niets. Polissen beperken dit vaak tot opzet en bewuste roekeloosheid. (1g.14)
- Indemniteit (art. 7:960, dwingend recht): de uitkering mag de verzekerde niet duidelijk rijker maken, behalve bij een waarde die vooraf door een deskundige is getaxeerd. (1g.15)
- Onderverzekering (art. 7:958 lid 5): vergoeding = verzekerde som / werkelijke waarde × schade. Verzekerd voor € 60.000, waard € 80.000, schade € 20.000: de klant krijgt € 15.000. (1g.16)
- Oververzekering levert niets op: de vergoeding is nooit hoger dan de schade. Bij dubbele verzekering kiest de verzekerde welke verzekeraar hij aanspreekt; samen betalen ze hooguit de schade, en onderling delen ze naar verhouding (art. 7:961). (1g.16)
Opzeggen, premie en respijt
- Onopzegbaar (geen wettelijk begrip): de verzekeraar mag de polis niet opzeggen of eenzijdig wijzigen, zoals bij een AOV of levensverzekering. Een persoonsverzekering mag hij nooit opzeggen of wijzigen wegens een slechtere gezondheid (art. 7:940 lid 5). (1g.17)
- Toch kan de verzekeraar beëindigen als hij met kennis van de ware stand nooit had verzekerd of de klant hem bij het sluiten wilde misleiden (art. 7:929), na wanbetaling en aanmaning (art. 7:934) en bij fraude als de polis die grond noemt (art. 7:940 lid 3). Fraude met een schademelding kost ook de uitkering (art. 7:941 lid 5). (1g.18)
- Een aflopende verzekering eindigt vanzelf na een vaste periode, zoals een kortlopende reisverzekering; een doorlopende wordt stilzwijgend verlengd. (1g.19)
- Opzeggen tegen het einde van de periode: 2 maanden opzegtermijn voor beide partijen, voor de klant mag het korter (art. 7:940 lid 1). Een contract van meer dan 5 jaar is elke 5 jaar opzegbaar, door de verzekeraar niet bij een persoonsverzekering (lid 2). (1g.20, 1g.21)
- Tussentijds mag de verzekeraar alleen opzeggen om redenen uit de polis, en dan mag de klant het ook (lid 3). De klant mag opzeggen na een wijziging in zijn nadeel (lid 4), erfgenamen binnen 9 maanden na het overlijden van de verzekeringnemer (art. 7:950). Opzeggen kan altijd elektronisch. (1g.20, 1g.21)
- Na een stilzwijgende verlenging mag een particulier op elk moment opzeggen, met hooguit een maand opzegtermijn. Dat staat in de Gedragscode geïnformeerde verlenging van het Verbond van Verzekeraars, niet in het BW. (1g.21)
- Premie terug: stopt de verzekering tussentijds, dan gaat de lopende premie naar billijkheid omlaag, tenzij de verzekeraar opzegde omdat de klant hem wilde misleiden (art. 7:939). Liep de verzekeraar nooit risico, dan hoeft de klant geen premie te betalen (art. 7:938). (1g.22)
- Vervolgpremie niet betaald: de dekking mag pas stoppen of worden geschorst als de klant na een aanmaning met de gevolgen erin niet binnen 14 dagen betaalt, gerekend vanaf de dag na de aanmaning (art. 7:934). Niet bij de eerste premie; bij een levensverzekering is de termijn minstens 1 maand (art. 7:980). (1g.23)
- Respijttermijn is een lesstofbegrip zonder wetsartikel: na de vervaldatum loopt de dekking nog even door, zodat de klant kan betalen voordat hij onverzekerd raakt. (1g.24)
Verder lezen: Verzekeringsrecht Wft Basis: mededelingsplicht en premie
Vaardigheden en competenties: zo toetst het examen de casussen
Na de kennisvragen en de twee PG-vragen volgen 19 V/C-vragen van maximaal 2 punten: samen 38 van de 63 punten. Elke casus schetst een klantsituatie, met praktijkdocumenten en meer leestijd, en stelt er een of meer vragen over. Het examen toetst dan niet of je een regel kent, maar of je hem toepast: rekenen, informatie verzamelen en beoordelen, communiceren en problemen oplossen.
Volgens de toetsmatrijs van het CDFD gaan 10 vragen over 2a en 2b, 4 over 3a en 3b, 2 over 2c en 2d en 3 over 3c en 3d. Rekenen en intake leveren dus de meeste casuspunten op.
| Eindterm | Wat je moet kunnen | Toetstermen |
|---|---|---|
| 2a Rekenen | Eenvoudige berekeningen maken en uitleggen, bijvoorbeeld over verzekerings- en bankproducten, belastingen of de wettelijke verdeling | 2a.1 |
| 2b Intake en vastlegging | Identiteit en tekenbevoegdheid controleren, een balans of inkomsten-uitgavenoverzicht opstellen, een factuur met btw of assurantiebelasting maken, een overeenkomst vastleggen | 2b.1–2b.4 |
| 2c Klantcontact | Klanten werven, hun behoefte herkennen en zo nodig doorverwijzen | 2c.1 |
| 2d Klantdossier | Dossiers volledig houden, zodat elk advies traceerbaar en te reconstrueren is | 2d.1 |
| 3a Intakegesprek | Een zakelijk, onbevooroordeeld gesprek voeren, goed doorvragen en gegevens nauwkeurig vastleggen | 3a.1 |
| 3b Klanten informeren | Binnen je bevoegdheden informeren, contante stortingen en opnames verwerken (met oog voor fraude en meldplicht), een financieel overzicht voor later opstellen | 3b.1–3b.3 |
| 3c Klachten behandelen | De klacht aannemen, niets toezeggen, de klachtenprocedure volgen en zelf afhandelen of doorverwijzen | 3c.1 |
| 3d Relatiebeheer | Gegevens muteren binnen je bevoegdheden, fraudesignalen zien, klanten begeleiden bij overlijden of scheiding | 3d.1, 3d.2 |
De competenties hebben één rode draad: blijf binnen je bevoegdheden, zeg bij een klacht niets toe en verwijs op tijd door, zonder de klant te laten 'zwemmen' (3b.1, 3c.1, 3d.1).
Bij rekenvragen rond je tussentijds niet af, of met zoveel mogelijk cijfers achter de komma. Belastingvragen zijn de uitzondering: daar rond je tussendoor af op hele getallen, gunstig voor de klant. Een rekenmachine krijg je van het exameninstituut. Probeer deze rekenvraag over assurantiebelasting (2b.3):
Voorbeeldvraag
max. 2 puntenJoyce sluit een inboedelverzekering af. De premie is € 11,00 per maand, exclusief assurantiebelasting. Er zijn geen poliskosten. Hoeveel betaalt Joyce per jaar, inclusief assurantiebelasting?
Rond af op twee decimalen.
Punt voor duizendtallen, komma voor decimalen: 10.000,00
Hoe deelpunten bij deze vragen uitvallen, staat bij de puntentelling. Meer vragen in alle vijf vraagvormen vind je bij de voorbeeldvragen.
Professioneel gedrag (4a): de dilemmavragen
Twee vragen toetsen professioneel gedrag. Elke PG-vraag is een casus met één vraag, goed voor maximaal 2 punten: samen 4 van de 63 punten. Ze staan tussen de kennisvragen en de V/C-casussen. Eindterm 4a onderscheidt vier soorten integriteitsdilemma's:
- Service en kosten: de afweging tussen goede service en wat die kost.
- Bevoegdheden en klantvragen: handel de vraag van de klant zo goed mogelijk af, ook als hij emotioneel is, en verwijs door als een vraag buiten je deskundigheid valt. (4a.1, 4a.2)
- Wat wettelijk niet mag: wees alert op fraude. Een ongebruikelijke transactie moet de instelling onverwijld melden bij FIU-Nederland, en de klant mag van die melding niets weten. (4a.3)
- Wat maatschappelijk niet wenselijk is: ook als iets mag, stel je het belang van de klant centraal en ben je transparant. (4a.4)
Toetsterm 4a.5 voegt daar integer omgaan met klantgegevens aan toe, volgens de voorschriften en procedures. In een dilemmavraag kies je dus de handeling die de klant centraal zet, open is en binnen wet en procedure blijft.
Van samenvatting naar examenniveau
Losse kennisvragen leveren hooguit 21 van de 63 punten op. De overige 42 haal je in casussen, waarin je de stof moet toepassen, met gemiddeld bijna drie minuten per vraag. Oefen daarom per toetsterm tot je bij elke situatie weet welke regel geldt, en maak daarna volledige proefexamens op tempo: 42 vragen in 120 minuten. Start met het gratis mini-examen: 10 vragen in alle vijf vraagvormen, zonder account. Wil je per toetsterm oefenen en hele examens maken, dan is er de Basispas.
Vragen
Veelgestelde vragen
Wat moet je kennen voor Wft Basis?
Zeven kennis-eindtermen: financiële huishouding, sparen, betalen en beleggen, krediet en hypotheek, persoonlijke risico’s en verzekeringen, verzekeringsbegrippen, toezicht en gedragsregels, en verzekeringsrecht. Daarnaast toetst het examen in casussen je vaardigheden, competenties en professioneel gedrag. Samen zijn dat 171 toetstermen.
Welke regels en bedragen gelden voor het examen?
Examens vanaf 1 april 2026 tot en met 31 maart 2027 toetsen de wet- en regelgeving zoals die op 1 januari 2026 gold. Daarom staan in deze samenvatting de bedragen van 2026, zoals het heffingsvrij vermogen van € 59.357 in box 3 en de NHG-grens van € 470.000.
Is een samenvatting genoeg om Wft Basis te halen?
Meestal niet. Kennisvragen leveren 21 van de 63 punten op; de andere 42 punten haal je met casussen waarin je de stof toepast op een klantsituatie. Leer de stof met de samenvatting en oefen daarna per toetsterm en met volledige proefexamens op tempo.
Welke verzekeringen zijn vrijgesteld van assurantiebelasting?
Vrijgesteld zijn onder meer levens-, ongevallen-, arbeidsongeschiktheids-, ziektekosten- en werkloosheidsverzekeringen, en de verzuimverzekering die een werkgever sluit. Over een inboedel-, opstal-, aansprakelijkheids-, auto- of rechtsbijstandverzekering betaal je wel 21% assurantiebelasting, berekend over de premie inclusief poliskosten.
Wat zijn de minimumbedragen van de WAM in 2026?
Op 1 januari 2026 moet een WAM-verzekering per gebeurtenis minimaal € 6.450.000 aan personenschade en € 1.300.000 aan zaakschade dekken. Voor voertuigen die zijn ingericht voor meer dan 8 passagiers is het minimum voor personenschade € 10.836.000.
Gratis mini-examen
Over een kwartier heb je je eerste cijfer.
Tien vragen in alle vijf vraagvormen, met een cijfer en per vraag een toelichting. Gratis, zonder account.
Doe het gratis mini-examenDaarna verder? De Basispas geeft je vijf volledige proefexamens en oefenen per onderwerp, met een toelichting bij iedere vraag: 90 dagen voor €24,95 of 21 dagen voor €17,95, vooraf in één keer, zonder verlenging.
Bekijk de Basispassen