Naar de inhoud

Wft Basis · examens vanaf 1 april 2026

Toetstermen Wft Basis

De toetstermen bepalen welke stof het Wft Basis-examen mag vragen. Ze komen uit de Regeling eindtermen en toetstermen examens financiële dienstverlening Wft. Hieronder staan ze allemaal, per eindterm, met het niveau waarop ze worden getoetst.

171 toetstermen in 16 eindtermen. Niet elke toetsterm komt in elk examen voor: het examen is een steekproef, maar elke taak komt aan bod.

Doe het gratis mini-examen

171 toetstermen

Eindterm 4a · Professioneel gedrag

Professioneel gedrag

De persoon beschikt over het vermogen om dilemma’s op het gebied van integer handelen in de uitoefening van zijn beroep te analyseren en bespreekbaar te maken: dilemma’s inzake serviceverlening en kosten van serviceverlening; dilemma’s inzake bevoegdheden en afhandeling van klantvragen; dilemma’s inzake situaties (specifiek voor financiële dienstverlening) die wettelijk niet zijn toegestaan; dilemma’s inzake situaties (specifiek voor financiële dienstverlening) die maatschappelijk niet wenselijk zijn.

  • 4a.1De vraag van de klant. De kandidaat neemt verantwoordelijkheid om de vraag van de klant zo goed als mogelijk af te handelen. — Gaat empathisch en strategisch om met emoties van de klant.Vaardigheid
  • 4a.2Doorverwijzen naar de juiste persoon. De kandidaat onderkent tijdig tekortkomingen bij zichzelf op het gebied van deskundigheid. De kandidaat kent de grenzen van zijn kennen en kunnen en verwijst door als bepaalde vraagstukken beter beantwoord kunnen worden door andere partijen.Vaardigheid
  • 4a.3Handelen in geval van een situatie die wettelijk niet is toegestaan. Is alert op fraude en dergelijke. — Beoordeelt in voorkomende gevallen moraliteit, financiële soliditeit en juridische aspecten van de klant.Vaardigheid
  • 4a.4Handelen in een situatie die maatschappelijk gezien niet wenselijk is. Handelt in het belang van de klant, stelt de klant centraal. Is in zijn handelen transparant. — Beoordeelt in voorkomende gevallen moraliteit, financiële soliditeit en juridische aspecten van de klant.Vaardigheid
  • 4a.5Integer omgaan met de klantgegevens. De kandidaat gaat integer met de klantgegevens om. De kandidaat respecteert de privacyrechten van de klant. — Werkt volgens de voorschriften en procedures.Vaardigheid

Eindterm 1a · Taak 1

Financiële huishouding

De persoon baseert de informatieverstrekking in de eerste lijn van de financiële dienstverlening op elementaire kennis van de financiële huishouding van de klant.

  • 1a.1de definitie van sparen, ontsparen en lenen geven.Kennis
  • 1a.2in een eenvoudige economische kringloop de geldstromen en goederenstromen aangeven.Kennis
  • 1a.3de gevolgen van de verschillende levensfasen voor de financiële overzichten (opbrengsten/uitgaven en bezittingen/schulden) van een klantenhuishouding uitleggen aan de klant.Begrip
  • 1a.4de belangrijkste kenmerken van de samenlevingsvormen (huwelijk, geregistreerd partnerschap en ongehuwd samenwonen) opnoemen.Kennis
  • 1a.5de elementaire regelingen van het erfrecht noemen.Kennis
  • 1a.6de onderstaande begrippen binnen de Successiewet omschrijven: schenking, vrijstelling (jaarlijkse en eenmalige verhoogde); verkrijging krachtens erfrecht.Kennis
  • 1a.7noemen voor welke vier handelingen toestemming van de partner vereist is volgens het Burgerlijk Wetboek: handelingen met betrekking tot de eigen woning, aangaan huurkoop, persoonlijke borgstelling en het doen van anders dan gebruikelijke giften.Kennis
  • 1a.8de onderstaande begrippen binnen de inkomstenbelasting omschrijven: Box 1 belastbaar inkomen uit werk en woning: winst uit onderneming, loon (begrip loon), resultaat overige werkzaamheden, periodieke uitkeringen en verstrekkingen, inkomsten uit eigen woning; Box 2 belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang; Box 3 belastbaar inkomen uit sparen en beleggen: bezittingen, schulden, heffingsvrij vermogen, vrijstellingen.Kennis
  • 1a.9noemen welke bescheiden als legitimatiemiddelen geaccepteerd worden.Kennis
  • 1a.10benoemen in welke gevallen een krediet bij het BKR geregistreerd wordt.Kennis
  • 1a.11in hoofdlijnen de relevante wettelijke regels inzake handelingsbekwaamheid, toestemmingsvereiste en onderbewindstelling beschrijven.Kennis
  • 1a.12in hoofdlijnen beschrijven welke (rechts-) maatregelen genomen kunnen worden in geval een klant te maken heeft of krijgt met schulden of schuldsanering.Kennis

Eindterm 1b · Taak 1

Sparen, betalen en beleggen

De persoon baseert zijn informatieverstrekking van spaar- en betaalfaciliteiten op kennis van betaal- en spaarrekeningen met inbegrip van daaraan verbonden spaar- en betaalfaciliteiten en elektronisch geld.

  • 1b.1de belangrijkste kenmerken noemen van een betaalrekening op één of meer namen.Kennis
  • 1b.2de procedure voor het openen van een betaalrekening uitleggen.Begrip
  • 1b.3BKR-, EVA- VIS- en UBO-toetsing omschrijven en de doelstelling van de toetsing aangeven.Kennis
  • 1b.4de producten voor toonbankbetaling beschrijven (zoals chartaal geld, contactloos betalen, pinbetaling en creditcard).Kennis
  • 1b.5de producten voor girale betaling beschrijven (gewone overboeking, internetbetaling, incasso, acceptgiro en periodieke overboeking).Kennis
  • 1b.6de drie spaarmotieven (zekerheidsmotief, doelmotief en vermogensmotief) beschrijven.Kennis
  • 1b.7uitleggen waarom een bank spaargeld aantrekt.Begrip
  • 1b.8de kenmerken van de meest gangbare spaarrekeningen kort omschrijven.Kennis
  • 1b.9vormen van niet-direct opneembaar spaargeld noemen.Kennis
  • 1b.10het verschil uitleggen tussen sparen, beleggen en investeren.Begrip
  • 1b.11noemen op welke wijze een klant geld kan boeken op of onttrekken aan een spaarrekening.Kennis
  • 1b.12in hoofdlijnen omschrijven in welke gevallen banksparen fiscaal gefaciliteerd kan worden.Kennis
  • 1b.13in hoofdlijnen omschrijven wat de fiscale consequenties zijn van banksparen.Kennis
  • 1b.14het verband aangeven tussen de spaarvorm en de hoogte van de rentevergoeding (incl. internet spaarrekening).Begrip
  • 1b.15de drie aspecten noemen (liquiditeit, rendement en risico), die de voorkeur van een klant voor een bepaald spaarproduct bepalen.Kennis
  • 1b.16de verschillen tussen een besloten en open beleggingsfonds noemen.Kennis
  • 1b.17de beleggingscategorieën noemen (aandelen, obligaties, vastgoed, liquide middelen, derivaten en beleggingsobjecten) en op hoofdlijnen omschrijven.Kennis
  • 1b.18rangorde aanbrengen in de beleggingscategorieën op basis van het risico.Begrip
  • 1b.19uitleggen welke invloed een rentebeweging heeft op aandelen- en obligatiekoersen.Begrip
  • 1b.20noemen voor wie het depositogarantiestelsel bedoeld is.Kennis
  • 1b.21de dekking en de functie van het depositogarantiestelsel omschrijven.Kennis
  • 1b.22uitleggen wat een boedelrekening is en wie gerechtigd is of zijn om een dergelijke rekening te openen.Begrip

Eindterm 2a · Taak 1

Rekenen

De persoon beschikt over het vermogen om te rekenen in vereiste situaties.

  • 2a.1Eenvoudige berekeningen maken. Eenvoudige berekeningen maken. Deze berekeningen kunnen onder meer betrekking hebben op verschillende verzekerings- of bancaire producten, belastingen of de wettelijke verdeling bij erfrecht. Kandidaat gebruikt indien nodig een rekenmachine, tabellen, etc. — In de praktijk zijn dit soort berekeningen vaak geautomatiseerd. De kandidaat moet de berekening kunnen uitleggen aan de klant en zelf kunnen maken.Vaardigheid

Eindterm 2b · Taak 1

Intake en vastlegging

De persoon beschikt over het vermogen om de juiste gegevens voor het (intake)gesprek te inventariseren en te verwerken.

  • 2b.1Identiteit klant controleren. Is alert dat juiste document(en) getoond worden, onderkent vervalsingen. Raadpleegt, indien daartoe aanleiding is, databestanden voor identiteitsverificatie. Signaleert mogelijke onjuistheden en meldt dit volgens de procedure. Bepaalt, in geval van stichting of vennootschap, vanuit KvK-informatie en/of statuten of de persoon tekenbevoegd is. — Diverse manieren en documenten kunnen van toepassing zijn.Vaardigheid
  • 2b.2Balanspositie en/of inkomsten-uitgaven-overzicht opstellen. Op basis van de klantgegevens een overzicht opstellen van bezittingen, schulden en persoonlijk vermogen. — Het betreft in deze module alleen eenvoudige balansposities en inkomsten/uitgavenoverzichten. Eventueel met behulp van rekenmachine.Vaardigheid
  • 2b.3Eenvoudige factuur of declaratie opstellen. Is in staat om een factuur op te stellen. Legt klant opzet declaratie/factuur uit, verantwoordt de geleverde diensten. — Berekeningen zijn in de praktijk geautomatiseerd. Grondslagen voor de berekening, zoals maand, jaar, 365 dagen en dergelijke, zijn in de praktijk gegeven bij de diverse producten. Is bekend met BTW en assurantiebelasting.Vaardigheid
  • 2b.4Financiële overeenkomst vastleggen. Werkt volgens regels en procedures en nauwkeurig. Is flexibel met betrekking tot het hanteren van verschillende regels en procedures voor verschillende product- en dienstencombinaties. Legt overeenkomst op de juiste wijze vast in systemen. — Inzake een groot aantal producten en diensten, zoals betalen, sparen, verzekeren, financieringen en beleggingen, worden standaard documenten aangemaakt, opgestuurd en vastgelegd.Vaardigheid

Eindterm 3a · Taak 1

Intakegesprek

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij een zakelijk (intake)gesprek kan voeren met de klant.

  • 3a.1Intakegesprek voeren. Eerste fysieke of telefonische contact met de klant inzake financiële behoeften en vragen. Kennismakingsgesprek. Is zakelijk, klantvriendelijk, effectief, onbevooroordeeld en respectvol. Gebruikt een gevarieerde vraagtechniek, luistert goed, leidt het gesprek. Inventariseert alle benodigde gegevens. Controleert identiteit van de klant. Administreert de klantgegevens nauwkeurig. Werkt volgens de procedure(s), telefoonregels en bedrijfsvoorschriften. Kent de kenmerken van een product op basis van de omschrijving op het formulier of op het invulscherm. Vraagt, indien nodig, toelichting bij weinig voorkomende handelingen of wijzigingen in productadministratie. — Is de eerste indruk goed? Voelt de klant zich welkom bij de organisatie? Ben ik oplettend en zorgvuldig en nauwkeurig? Weet ik wat ik moet doen, of moet ik hulp vragen?Competentie

Eindterm 3b · Taak 1

Klanten informeren

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij de klant kan informeren over financiële diensten, rekening houdend met de verschillende sociaaleconomische en sociaal-culturele kenmerken van de klant.

  • 3b.1Klanten informeren. In gesprek met zowel interne als externe klanten. Is klantvriendelijk en resultaatgericht. Vraagt door als dat nodig is en adviseert de klant binnen zijn bevoegdheden. Vat de klantbehoefte goed samen. Houdt rekening met sociaaleconomische en sociaal-culturele kenmerken van de klant. Hanteert heftige klantemoties met empathie en strategie. Plant de (juridisch) juiste actie(s). Wijst de klant, indien nodig, door naar de juiste persoon of afdeling, laat de klant niet ‘zwemmen’. Controleert naleving van geplande acties. — Heb ik alles gedaan om de klant in contact te brengen met de juiste persoon of afdeling? Heb ik gehandeld binnen mijn bevoegdheden? Heb ik de klant zo volledig mogelijk en juist geïnformeerd?Competentie
  • 3b.2Stortingen en/of opnames met betrekking tot chartaal geld behandelen. Bij een bank of een niet-kashoudende winkel of kantoor. Telt correct. Administreert volgens voorschriften. Is alert op fraude en dergelijke. Past de meldingsplicht toe.Competentie
  • 3b.3Financiële overzichten (opbrengsten/uitgaven en bezittingen/schulden) opstellen voor een moment in de toekomst. Voor een (eenvoudige) huishouding. Houdt rekening met levensloop. Onderkent de relatie naar fiscale vormen van sparen die niet geadviseerd mogen worden. Onderkent de wenselijkheid om schulden af te bouwen, verwijst in deze gevallen door naar een vakbekwame collega. Onderkent bij spaardoelen de risico’s die afgedekt moeten worden, en verwijst door naar andere vakbekwame personen. — Heb ik mijn hand niet overspeeld door het gesprek aan te gaan met de klant?Competentie

Eindterm 1c · Taak 2

Krediet en hypotheek

De persoon baseert de informatieverstrekking in de eerste lijn van de financiële dienstverlening op kennis met betrekking tot financieringsmogelijkheden van de klant.

  • 1c.1aangeven welke factoren de kredietwaardigheid bepalen en deze factoren (moraliteit, financiële positie, zekerheden) omschrijven.Kennis
  • 1c.2omschrijven wat een consumptief krediet is.Kennis
  • 1c.3de begrippen kredietsom en kredietvergoeding omschrijven.Kennis
  • 1c.4de kenmerken van een geldkrediet en een goederenkrediet noemen.Kennis
  • 1c.5de vormen van consumptief krediet (aflopend krediet, doorlopend krediet, rekening-courant krediet, huurkoop) benoemen en op hoofdlijnen beschrijven.Kennis
  • 1c.6het doel van de BKR-toetsing aangeven.Kennis
  • 1c.7uitleggen dat de handelingsbekwaamheid, samenlevingsvorm en leeftijd van de kredietaanvrager een rol spelen bij het sluiten van een overeenkomst, zoals het verlenen van het consumptief krediet.Begrip
  • 1c.8de juridische gevolgen van niet-nakoming van een kredietovereenkomst uitleggen.Begrip
  • 1c.9de volgende begrippen omschrijven: recht van hypotheek, hypotheekgever, hypotheeknemer.Kennis
  • 1c.10op hoofdlijnen het wettelijk kader omschrijven met betrekking tot de informatieverstrekking over krediet aan de klant.Kennis
  • 1c.11de rol van de aanbieder van krediet binnen de verschillende distributiekanalen omschrijven.Kennis
  • 1c.12omschrijven wat een hypothecair krediet is.Kennis
  • 1c.13de begrippen renterisico, liquiditeitsrisico en valutarisico bij het aantrekken en uitzetten van gelden beschrijven.Kennis
  • 1c.14uitleggen wat registergoederen zijn.Begrip
  • 1c.15uitleggen wat de invloed van de taxatiewaarde is op de hoogte van het hypotheekbedrag.Begrip
  • 1c.16de verschillende taxatiewaarden in een taxatierapport van een woning beschrijven.Kennis
  • 1c.17aangeven welke inkomsten en lasten de kredietwaardigheid bepalen.Kennis
  • 1c.18uitleggen wat de invloed van het inkomen is op de hoogte van het hypotheekbedrag.Begrip
  • 1c.19het begrip ‘woonquote’ omschrijven.Kennis
  • 1c.20doel en strekking van de Nationale Hypotheekgarantie (NHG) aangeven.Kennis
  • 1c.21uitleggen wat de rol van de notaris is bij de verkrijging van de onroerende zaak en het hypothecair krediet.Begrip
  • 1c.23de verschillende aflossingsvormen van een hypothecair krediet beschrijven.Kennis
  • 1c.24de begrippen vaste hypotheek, krediethypotheek, bankhypotheek beschrijven.Kennis
  • 1c.25de begrippen variabele rente en vaste rente beschrijven.Kennis
  • 1c.26uitleggen wat de invloed is van de rentevaste periode op de hoogte van de hypotheekrente.Begrip
  • 1c.27op hoofdlijnen beschrijven in welke gevallen en tegen welke voorwaarden een natuurlijk persoon tijdelijk uitstel van zijn betalingsverplichtingen kan krijgen.Kennis

Eindterm 1d · Taak 2

Persoonlijke risico’s en verzekeringen

De persoon baseert de informatieverstrekking in de eerste lijn van de financiële dienstverlening op kennis van de persoonlijke risico’s van de klant en mogelijke (verzekerings-)oplossingen.

  • 1d.1de functie en inhoud van een klantprofiel omschrijven.Kennis
  • 1d.2de categorieën van de verzekerbare risico’s opsommen en de mogelijke gevolgen uitleggen.Begrip
  • 1d.3de risico’s noemen die verbonden zijn aan materieel bezit en kan opsommen welke verzekeringen daarbij gesloten kunnen of moeten worden.Kennis
  • 1d.4voorbeelden noemen van risico’s die verbonden zijn aan de gezondheid en kan opsommen welke verzekeringen daarbij gesloten kunnen of moeten worden.Kennis
  • 1d.5voorbeelden noemen van de aansprakelijkheidsrisico’s en risico’s die verbonden zijn aan vermogen van de klant, en welke verzekeringen daarbij gesloten kunnen of moeten worden.Kennis
  • 1d.6voorbeelden noemen van risico’s die verbonden zijn aan (lang) leven en dood en kan opsommen welke verzekeringen daarbij gesloten kunnen of moeten worden.Kennis
  • 1d.7de werknemersverzekeringen noemen en kan opsommen voor wie deze werknemersverzekeringen gelden.Kennis
  • 1d.8de volksverzekeringen opnoemen en voor wie deze volksverzekeringen gelden.Kennis
  • 1d.9de risico’s opnoemen die afgedekt zijn door sociale verzekeringen.Kennis
  • 1d.10de mogelijkheden voor gemoedsbezwaarden opsommen.Kennis
  • 1d.11uitleggen uit welke bestanddelen (inclusief kosten en eventuele assurantiebelasting) de door de klant te betalen premie voor een schadeverzekering bestaat.Begrip
  • 1d.12de rol en taken van de verzekeraars en pensioenfondsen noemen bij het afdekken van de financiële gevolgen van risico’s die de klant kan lopen.Kennis
  • 1d.13de meest gangbare inkomensverzekeringen ingeval van arbeidsongeschiktheid benoemen.Kennis
  • 1d.14het doel van en de dekking op een ongevallenverzekering omschrijven.Kennis
  • 1d.15de diverse wettelijke regelingen inzake de vergoeding van medische kosten omschrijven.Kennis
  • 1d.16de meest voorkomende mogelijkheden voor het verzekeren van de medische kosten omschrijven.Kennis
  • 1d.17de diverse mogelijkheden noemen die er zijn om het ouderdoms- en nabestaandenpensioen aanvullend te verzekeren.Kennis
  • 1d.18op hoofdlijnen een omschrijving geven van de verschillende pensioenregelingen.Kennis
  • 1d.19op hoofdlijnen de kenmerken van een algemeen pensioenfonds (apf), bedrijfstakpensioenfonds (bpf) en een ondernemingspensioenfonds (opf) opsommen.Kennis

Eindterm 1e · Taak 2

Verzekeringsbegrippen

De persoon baseert de informatieverstrekking in de eerste lijn van de financiële dienstverlening op kennis van elementaire relevante verzekeringsbegrippen.

  • 1e.1de wet van de grote aantallen uitleggen.Begrip
  • 1e.2uitleggen waarom verzekeraars reserveren.Begrip
  • 1e.3uitleggen waarom verzekeraars rekening houden met het gemiddelde schadebedrag per verzekerde.Begrip
  • 1e.4uitleggen waarom en op welke wijze verzekeraars risico’s spreiden.Begrip
  • 1e.5de componenten opnoemen waaruit de premie van een verzekering bestaat.Kennis
  • 1e.6de kenmerken en voorbeelden noemen van voorzieningen en particuliere- en sociale verzekeringen.Kennis
  • 1e.7de meest gangbare bezitsverzekeringen voor de klant benoemen en kort beschrijven.Kennis
  • 1e.8de meest gangbare begrippen bij bezitsverzekering van de klant benoemen.Kennis
  • 1e.9de meest gangbare aansprakelijkheidsverzekeringen voor de klant benoemen en kort beschrijven.Kennis
  • 1e.10het doel en de functie van de WAM uitleggen.Begrip
  • 1e.11het doel omschrijven van gezinsrechtsbijstands-verzekering, motorrijtuigenrechtsbijstandsverzekering en bedrijfsrechtsbijstandsverzekering.Kennis

Eindterm 1f · Taak 2

Toezicht en gedragsregels

De persoon baseert de informatieverstrekking in de eerste lijn van de financiële dienstverlening op kennis van de ordening van en het toezicht op de financiële markt.

  • 1f.1de volgende informatiebronnen noemen die gericht zijn op de belangen van de klant: overheid (AFM), markt (Nibud, Consumentenbond) en de diverse brancheorganisaties.Kennis
  • 1f.2de meest voorkomende informatiedocumenten voor consumenten benoemen, zoals het Essentiele-informatiedocument (Eid), de verzekeringskaart en de vergelijkingskaart, kan deze in hoofdlijnen omschrijven en uitleggen wanneer deze voor de consument beschikbaar moeten zijn.Begrip
  • 1f.3aangeven wanneer en bij welke producten de meest voorkomende informatiedocumenten voor consumenten beschikbaar moeten zijn.Kennis
  • 1f.5aangeven welke klachtenregelingen en (buiten-) gerechtelijke geschillenbeslechtingsmogelijkheden voor de klant in de financiële dienstverlening van toepassing zijn.Begrip
  • 1f.6het begrip ‘rechtstreekse verkoop’ omschrijven en daarbij aangeven welke advies- en distributiekosten worden gemaakt.Begrip
  • 1f.7de werkwijze van verkoop via bemiddeling uitleggen, daarbij aangeven welke kosten daarvoor gemaakt worden, en welke beloning daarvoor ontvangen wordt.Begrip
  • 1f.8uitleggen wat het provisieverbod voor complexe producten inhoudt en waarom het is ingevoerd vanuit het klantbelang.Begrip
  • 1f.10uitleggen in welk geval gekozen wordt voor rechtstreekse verkoop of verkoop via bemiddeling.Begrip
  • 1f.11de kenmerken van een abonnementensysteem en andere beloningsvormen (fee/vast tarief) noemen.Kennis
  • 1f.12voorbeelden opsommen van wanneer en waarvoor passende provisieregels (inducementnorm) van toepassing zijn.Kennis
  • 1f.13de wettelijke vormen van toezicht op de financiële markten noemen en op hoofdlijnen omschrijven (prudentieel, systeem en gedrag).Kennis
  • 1f.14het doel van prudentieel en gedragstoezicht uitleggen.Begrip
  • 1f.15omschrijven wat onder zorgplicht wordt verstaan.Kennis
  • 1f.16uitleggen waarom de overheid de zorgplicht wettelijk regelt.Begrip
  • 1f.17de rol van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) in het kader van de zorgplicht uitleggen.Begrip
  • 1f.18noemen op welke financiële dienstverleners de zorgplicht van toepassing is.Kennis
  • 1f.19het begrip ‘adviesregel’ omschrijven.Kennis
  • 1f.20noemen wie het toezicht in het kader van de Wft uitoefent.Kennis
  • 1f.21beschrijven welke beroepsmogelijkheden bestaan bij sancties van De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM), uitspraken klachteninstituten en rechterlijke uitspraken.Kennis
  • 1f.22omschrijven wat de eigen verantwoordelijkheid van de klant volgens de Wft inhoudt.Kennis
  • 1f.23de drie plichten van de aanbieder ten opzichte van een bemiddelaar opnoemen: het controleren van de Wft-vergunning van de bemiddelaar, de bemiddelaar van adequate informatie voorzien, en de meldplicht aan de Autoriteit Financiële Markten (AFM) inzake belangrijke of stelselmatige misstanden bij een bemiddelaar.Kennis
  • 1f.24noemen welke plicht de bemiddelaar heeft naar de aanbieder van de financiële dienst (het controleren van de Wft-vergunning van de aanbieder).Kennis
  • 1f.25het belang van een vergunning voor de financiële dienstverlener beschrijven.Kennis
  • 1f.26de verschillende samenwerkingsvormen en samenwerkingsorganisaties binnen de verzekeringsbranche noemen.Kennis
  • 1f.27het doel van FISH aangeven.Kennis
  • 1f.28de verschillende distributievormen in de verzekeringsbranche noemen met daarbij de voor de klant belangrijkste voor- en nadelen van elke distributievorm.Kennis
  • 1f.29de werkzaamheden beschrijven die de bemiddelaar verricht voor de klant bij het tot stand brengen van de overeenkomst van een financieel product. Hij kan daarbij aangeven welke kosten daarvoor gemaakt worden en welke beloning daarvoor ontvangen wordt.Kennis
  • 1f.30de werkzaamheden beschrijven die de bemiddelaar verricht voor de klant bij het beheer en de uitvoering tijdens de looptijd van een financieel product. Hij kan daarbij aangeven welke kosten daarvoor gemaakt worden en welke beloning daarvoor ontvangen wordt.Kennis
  • 1f.31de werkzaamheden beschrijven die de bemiddelaar verricht voor de klant bij het beëindigen van een financieel product.Kennis
  • 1f.32de drie verschillende vormen van effectendienstverlening benoemen: execution only, beleggingsadvisering en vermogensbeheer.Kennis
  • 1f.33een korte omschrijving geven van de zes kwaliteitseisen die gesteld worden aan de financiële dienstverlener: betrouwbaarheid, geschiktheid, financiële zekerheid, adequate en integere bedrijfsvoering, zorgplicht en transparantie.Kennis
  • 1f.34de fasen van het adviestraject (inventarisatie, risicoanalyse, advies, beheer en mutatie en nazorg en schadebehandeling) benoemen.Kennis
  • 1f.35omschrijven voor welke financiële dienstverlener de beroepsaansprakelijkheidsverzekering verplicht is.Kennis
  • 1f.36de verschillende soorten bemiddelaars (verbonden bemiddelaar, gebonden bemiddelaar, ongebonden bemiddelaar) beschrijven.Kennis
  • 1f.37beschrijven hoe een ongebonden bemiddelaar werkt op basis van een objectieve en selectieve analyse.Kennis
  • 1f.38noemen welke financiële dienstverleners ‘van rechtswege een vergunning krijgen’, en welke financiële dienstverleners een vergunning moeten aanvragen.Kennis
  • 1f.39in hoofdlijnen de privacyrechten van de klant volgens de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) omschrijven.Kennis
  • 1f.40in hoofdlijnen beschrijven welke soorten persoonsgegevens de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) onderscheidt en op welke grondslagen deze persoonsgegevens verwerkt mogen worden.Kennis

Eindterm 1g · Taak 2

Verzekeringsrecht

De persoon baseert de informatieverstrekking in de eerste lijn van de financiële dienstverlening op kennis van relevante en actuele wet- en regelgeving in de verzekeringssector.

  • 1g.1omschrijven op welke manier een geldige verzekeringsovereenkomst tot stand komt.Kennis
  • 1g.2omschrijven hoe via de diverse distributiekanalen een verzekeringsovereenkomst tot stand komt.Kennis
  • 1g.3op hoofdlijnen de acceptatieprocedure bij een verzekeraar omschrijven.Kennis
  • 1g.4de drie functies van het aanvraagformulier noemen.Kennis
  • 1g.5omschrijven wat een verzekeringnemer, de verzekerde, premiebetaler en de begunstigde is.Kennis
  • 1g.6uitleggen wat een voorlopige dekking is.Begrip
  • 1g.7uitleggen wat een dekkingsbevestiging is.Begrip
  • 1g.8de juridische omschrijving van het begrip ‘verzekeren’ geven.Kennis
  • 1g.9de kenmerken van een schadeverzekering noemen.Kennis
  • 1g.10de kenmerken van een sommenverzekering noemen.Kennis
  • 1g.11de kenmerken van een persoonsverzekering noemen.Kennis
  • 1g.12de werking van het mededelingsplicht-artikel en de mogelijke gevolgen daarvan uitleggen.Begrip
  • 1g.13de wettelijke bepalingen ten aanzien van eigen gebrek beschrijven.Kennis
  • 1g.14de wettelijke bepalingen ten aanzien van opzet en roekeloosheid beschrijven.Kennis
  • 1g.15het indemniteitsbeginsel beschrijven.Kennis
  • 1g.16de begrippen ‘onderverzekering’, ‘oververzekering’ en ‘dubbele verzekering’ beschrijven.Kennis
  • 1g.17het begrip ‘onopzegbare polis’ beschrijven.Kennis
  • 1g.18de situaties noemen, waarin een onopzegbare polis toch door de verzekeraar opgezegd kan worden.Kennis
  • 1g.19een aflopende verzekering beschrijven.Kennis
  • 1g.20opnoemen in welk geval een verzekering opzegbaar is door de verzekeraar.Kennis
  • 1g.21opnoemen in welk geval een verzekering opzegbaar is door de verzekeringnemer.Kennis
  • 1g.22opnoemen in welk geval een verzekeringnemer recht heeft op terugbetaling van de premie.Kennis
  • 1g.23uitleggen wat de gevolgen zijn als de klant de premie niet betaalt.Begrip
  • 1g.24het doel van de respijttermijn beschrijven.Kennis

Eindterm 2c · Taak 2

Klantcontact

De persoon beschikt over het vermogen om leads te genereren.

  • 2c.1Contact met (potentiële) klanten leggen. Proactief, is alert om (mogelijke) klanten te werven. Onderkent de behoefte van de klant, zodat het goed vertaald kan worden in een passend advies. Verwijst door als dat nodig is. — Behoefte en belang eindklant moet centraal gesteld worden bij dit proces.Vaardigheid

Eindterm 2d · Taak 2

Klantdossier

De persoon beschikt over het vermogen om informatie vast te leggen, klantdossiers te onderhouden, klant- en productgegevens te registreren en te muteren.

  • 2d.1Klantendossiers aanleggen en onderhouden. De gegeven adviezen aan klanten zijn traceerbaar en reconstrueerbaar. Klantendossiers zijn volledig. — Noodzakelijk voor interne en externe controles, waaronder die van de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Dossiers betreffen een groot aantal product- en dienstencombinaties, zowel fysiek als in elektronische systemen.Vaardigheid

Eindterm 3c · Taak 2

Klachten behandelen

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij klachten van klanten kan behandelen.

  • 3c.1Klachten behandelen. Neemt de klacht aan. Luistert inlevend naar de klant, reflecteert op emoties van klant, zegt niets toe. Kan (onsamenhangende) informatie van de klant samenvatten en ordenen. Handelt volgens de klachtenprocedure. Baseert zijn handelen op kennis van de organisatie, de financiële dienst en het product. Neemt verantwoordelijkheid voor de behandeling van de klacht. Handelt zo mogelijk de klacht zelf af, verwijst anders door naar de juiste persoon of afdeling. — Ken ik de procedure met betrekking tot klachten? Heb ik alles gedaan om de klant in contact te brengen met de juiste persoon of afdeling? Heb ik gehandeld binnen mijn bevoegdheden?Competentie

Eindterm 3d · Taak 2

Relatiebeheer

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij relaties kan beheren en/of aangaan met betrekking tot het verlenen van financiële diensten, rekening houdend met zeer wisselende klantbehoeften, klantsituaties, wettelijke en organisatorische bevoegdheden.

  • 3d.1Klant- en/of product-gegevens beheren en muteren. Gegevens met betrekking tot financieren en verzekeren. Houdt rekening met de klantbehoefte en -situatie. Houdt rekening met wettelijke en organisatorische bevoegdheden. Weet welke gegevens verwerkt mogen worden. Verwijst tijdig door naar juiste persoon of afdeling ingeval werkzaamheden buiten bevoegdheden of vakbekwaamheid liggen. Stelt risicoprofiel op of bij. Is klantvriendelijkheid, resultaatgericht en professioneel. Vraagt door om situaties helder te krijgen. Onderkent fraudesignalen.Competentie
  • 3d.2Klanten actief informeren gedurende de relatie. Verandering in de persoonlijke levenssfeer, zoals overlijden of echtscheiding. Adviseert correct inzake beschikking over rekeningen en afhandeling van aanspraken. Verwijst de klant, indien nodig, naar de juiste persoon of afdeling door. Houdt rekening met de emotie van de klant. Hanteert heftige emotie met empathie en strategie. Onderkent juridische en fiscale context. Plant de juiste acties. Vraagt naleving van geplande acties. — Hoe reageerde ik op emoties? Heb ik begrip voor verschillende culturele gewoonten van de klanten? Heb ik gehandeld binnen mijn bevoegdheden?Competentie

Vier niveaus

Kennis (K)
117toetstermenJe kunt iets noemen of omschrijven.Korte vragen van 1 punt
Begrip (B)
35toetstermenJe kunt het uitleggen.Korte vragen van 1 punt
Vaardigheid (V)
12toetstermenGetoetst in casussen.2 punten per vraag
Competentie (C)
7toetstermenGetoetst in casussen.2 punten per vraag

De vijf toetstermen over professioneel gedrag (4a) toetst het examen ook in casussen van 2 punten per vraag.

Bron: CDFD, Eind- en toetstermen module Basis, geldend voor examens vanaf 1 april 2026, gebaseerd op de Regeling eindtermen en toetstermen examens financiële dienstverlening Wft. Toetstermen 1c.22, 1f.4 en 1f.9 zijn vervallen en staan hier niet bij.

Met een Basispas

Oefen per toetsterm

Kies met een Basispas één toetsterm, en je oefent alleen met vragen over dat onderwerp. Na elk antwoord lees je de toelichting.