Naar de inhoud

Wft Basis · examens vanaf 1 april 2026

Begrippenlijst Wft Basis

139 begrippen uit de toetstermen van Wft Basis, elk in een paar zinnen, met de bedragen en regels van 1 januari 2026. Achter elk begrip staat de toetsterm waar het bij hoort.

A

Aandeel
Een bewijs van mede-eigendom van een onderneming. De aandeelhouder deelt via dividend mee in de winst en heeft stemrecht, maar loopt ook het risico dat de koers daalt; daarom zijn aandelen riskanter dan obligaties en liquide middelen. Een belang onder de 5% valt in box 3, vanaf 5% in box 2 (aanmerkelijk belang).
Toetstermen 1b.17, 1b.18Meer hierover →
Aanmerkelijk belang
Een belang van ten minste 5% van het geplaatste kapitaal van een vennootschap, alleen of samen met de fiscale partner. Wie zo’n belang heeft, betaalt over dividend en over winst bij verkoop van de aandelen inkomstenbelasting in box 2 in plaats van box 3.
Toetsterm 1a.8Meer hierover →
Acceptgiro
Een voorgedrukt papieren betaalformulier dat een schuldeiser met zijn rekening meestuurde. De acceptgiro bestaat niet meer: de verwerking stopte per 1 juni 2023, al noemt toetsterm 1b.5 hem nog wel. Alternatieven zijn onder meer de factuur met betaalinstructie, het betaalverzoek, de QR-code en incasso.
Toetsterm 1b.5
Adviesregelook: ken-uw-klant
De plicht uit art. 4:23 Wft om vóór een advies informatie in te winnen over de financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid van de klant, het advies daarop te baseren en uit te leggen waarop het berust. Wie niet adviseert, meldt dat bij het begin van de dienstverlening.
Toetsterm 1f.19Meer hierover →
Adviestraject
De vaste fasen waarin een advies tot stand komt en wordt onderhouden: inventarisatie van situatie en wensen, risicoanalyse, advies, beheer en mutatie tijdens de looptijd, en nazorg en schadebehandeling. De gegevens en keuzes uit elke fase horen in het klantdossier, zodat het advies later te reconstrueren is.
Toetstermen 1f.34, 2d.1Meer hierover →
Aflossingseis
Voorwaarde voor hypotheekrenteaftrek op een eigenwoningschuld die vanaf 1 januari 2013 is aangegaan: de lening moet minstens annuïtair worden afgelost in maximaal 360 maanden. Lineair aflossen voldoet ook, omdat dat sneller gaat; een aflossingsvrije lening voldoet niet.
Toetstermen 1a.8, 1c.23Meer hierover →
AFMook: Autoriteit Financiële Markten
Autoriteit Financiële Markten: de toezichthouder op het gedrag van financiële ondernemingen, gericht op ordelijke en transparante markten en een zorgvuldige behandeling van klanten. De AFM verleent vergunningen aan onder meer adviseurs, bemiddelaars en kredietaanbieders en handhaaft de zorgplicht bij evidente misstanden. Individuele klachten behandelt zij niet; die gaan naar het Kifid of de rechter.
Toetstermen 1f.13, 1f.14, 1f.17, 1f.20Meer hierover →
Algemeen pensioenfondsook: apf
Pensioenuitvoerder die sinds 1 januari 2016 bestaat en regelingen van meerdere, onderling niet verbonden werkgevers uitvoert, elk in een afgescheiden collectiviteitkring met een eigen vermogen. Een bedrijfstakpensioenfonds (bpf) werkt voor een bedrijfstak, waar deelname verplicht kan worden gesteld; een ondernemingspensioenfonds (opf) hoort bij één onderneming of groep.
Toetsterm 1d.19Meer hierover →
Annuïteitenhypotheek
Een hypotheek met elke maand hetzelfde bruto bedrag aan rente en aflossing samen. In het begin is het rentedeel groot en de aflossing klein, en dat verschuift naarmate de schuld daalt. Wie in maximaal 360 maanden annuïtair aflost, voldoet aan de aflossingseis voor hypotheekrenteaftrek.
Toetsterm 1c.23Meer hierover →
Anwook: Algemene nabestaandenwet
Algemene nabestaandenwet: volksverzekering met een uitkering na het overlijden van een partner, maar alleen als de nabestaande een ongehuwd kind jonger dan 18 verzorgt of minstens 45% arbeidsongeschikt is. De uitkering stopt bij de AOW-leeftijd. De premie is in 2026 0,10%, geheven via de inkomstenbelasting.
Toetstermen 1d.8, 1d.17Meer hierover →
AOWook: Algemene Ouderdomswet
Algemene Ouderdomswet: de volksverzekering voor een basispensioen vanaf de AOW-leeftijd, die in 2026 en 2027 67 jaar is en vanaf 2028 67 jaar en 3 maanden. Wie verzekerd is, bouwt in de 50 jaar vóór de AOW-leeftijd 2% per jaar op; elk ontbrekend jaar kost 2%. De AOW is de eerste pensioenpijler.
Toetstermen 1d.8, 1d.18Meer hierover →
Assurantiebelasting
Belasting op premies van verzekeringen waarvan het risico in Nederland ligt: in 2026 21% over de premie inclusief poliskosten, af te dragen door de verzekeraar en doorberekend aan de klant. Vrijgesteld zijn onder meer levens-, ongevallen-, arbeidsongeschiktheids-, ziektekosten-, werkloosheids- en transportverzekeringen; inboedel, opstal, AVP, auto en rechtsbijstand zijn wel belast.
Toetstermen 1d.11, 1e.5, 2b.3
AVGook: Algemene verordening gegevensbescherming
Algemene verordening gegevensbescherming, de Europese privacywet, met de Autoriteit Persoonsgegevens als toezichthouder. De klant heeft onder meer recht op inzage, rectificatie, wissing en bezwaar. Persoonsgegevens mogen alleen worden verwerkt op een van zes grondslagen, zoals toestemming of uitvoering van een overeenkomst; bijzondere persoonsgegevens, zoals over gezondheid, mogen in beginsel niet worden verwerkt.
Toetstermen 1f.39, 1f.40, 4a.5
AVPook: aansprakelijkheidsverzekering particulieren
Aansprakelijkheidsverzekering particulieren: dekt de wettelijke aansprakelijkheid van de verzekerde en zijn gezin voor schade die zij anderen toebrengen. Schade veroorzaakt met een motorrijtuig valt erbuiten; daarvoor is er de verplichte WAM-verzekering. Over de premie wordt 21% assurantiebelasting geheven.
Toetstermen 1d.5, 1e.9

B

Banksparen
Sparen op een geblokkeerde rekening met een fiscale faciliteit. Bij lijfrentesparen is de inleg aftrekbaar in box 1 binnen de jaarruimte of reserveringsruimte, valt het tegoed buiten box 3 en is de latere uitkering belast in box 1. Nieuwe fiscaal gefaciliteerde spaarrekeningen eigen woning bestaan sinds 2013 niet meer; oude vallen onder overgangsrecht.
Toetstermen 1b.9, 1b.12, 1b.13
Basisbetaalrekening
Een betaalrekening waarop iedere consument die rechtmatig in de EU verblijft recht heeft. De bank opent hem uiterlijk 10 werkdagen na een volledige aanvraag, kosteloos of tegen een redelijke vergoeding; rood staan kan niet. Weigeren moet als het cliëntenonderzoek niet lukt, en mag onder meer als de klant al een Nederlandse betaalrekening heeft.
Toetstermen 1b.1, 1b.2
Begunstigde
Degene die is aangewezen om de uitkering van een verzekering te ontvangen, bijvoorbeeld de partner bij een overlijdensrisicoverzekering. De verzekeringnemer wijst de begunstigde aan met een schriftelijke mededeling aan de verzekeraar; is niemand aangewezen, dan is de verzekeringnemer zelf begunstigde.
Toetsterm 1g.5Meer hierover →
Beleggen
Vermogen inzetten in bijvoorbeeld aandelen, obligaties of vastgoed met het doel een hoger rendement te halen dan met sparen, met het risico dat de inleg minder waard wordt. Bij sparen blijft de inleg vrijwel zeker behouden en krijgt de spaarder rente; bij investeren besteedt een onderneming geld aan productiemiddelen voor toekomstige opbrengsten.
Toetsterm 1b.10Meer hierover →
Beleggerscompensatiestelsel
Regeling die beleggers beschermt als een bank of beleggingsonderneming hun geld of effecten niet kan teruggeven, bijvoorbeeld na een faillissement. De vergoeding is maximaal € 20.000 per persoon per instelling. Koersverlies valt er niet onder; spaargeld bij een bank is beschermd door het depositogarantiestelsel.
Toetsterm 1b.21Meer hierover →
Beleggingsfonds
Een fonds dat geld van veel beleggers gezamenlijk belegt; zij krijgen deelnemingsrechten. Een open fonds geeft doorlopend rechten uit en koopt ze in, waardoor de koers dicht bij de intrinsieke waarde blijft. Een besloten fonds heeft een vast aantal rechten, verhandeld via de beurs; de koers kan dan afwijken van de intrinsieke waarde.
Toetsterm 1b.16Meer hierover →
Beneficiair aanvaarden
Een erfenis aannemen onder voorrecht van boedelbeschrijving: de erfgenaam staat voor schulden van de nalatenschap alleen in met wat de nalatenschap oplevert, niet met zijn eigen vermogen. De keuze wordt verklaard bij de griffie van de rechtbank en is onherroepelijk.
Toetsterm 1a.5
Beperkte gemeenschap van goederen
Het wettelijke regime voor huwelijken vanaf 1 januari 2018. Gemeenschappelijk wordt wat tijdens het huwelijk wordt verkregen en wat al van beiden samen was; eigen bezit en schulden van vóór het huwelijk, erfenissen en schenkingen blijven privé, tenzij erflater of schenker anders bepaalt. Huwelijken van vóór 2018 zonder huwelijkse voorwaarden hebben een algehele gemeenschap.
Toetsterm 1a.4Meer hierover →
Beschermingsbewind
Maatregel waarbij de kantonrechter het beheer over één of meer goederen van een meerderjarige aan een bewindvoerder geeft, wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand, verkwisting of problematische schulden. De betrokkene blijft handelingsbekwaam, maar kan over die goederen alleen beschikken met medewerking van de bewindvoerder. Het bewind wordt ingeschreven in het openbare curatele- en bewindregister.
Toetsterm 1a.11
Beslagvrije voet
Het deel van het inkomen waarop een schuldeiser geen beslag mag leggen, zodat de schuldenaar in zijn levensonderhoud kan blijven voorzien. Sinds 1 januari 2021 is dat in beginsel 95% van de toepasselijke bijstandsnorm, en nooit meer dan 95% van het netto maandinkomen.
Toetsterm 1a.12
BGfoook: Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft
Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft: een algemene maatregel van bestuur die de Wft uitwerkt met detailregels voor de omgang met klanten. Hierin staan onder meer welke diploma’s een adviseur nodig heeft (art. 7), het provisieverbod (art. 86c) en de vergelijkingskaart (art. 86f).
Toetstermen 1f.2, 1f.8Meer hierover →
BKRook: Bureau Krediet Registratie
Bureau Krediet Registratie: registreert kredieten van consumenten om overkreditering te voorkomen. Geregistreerd worden kredieten met een looptijd van meer dan een maand en een kredietbedrag of limiet boven € 250; de gegevens blijven tot 5 jaar na de werkelijke einddatum staan. Van een hypotheek op de eigen woning worden alleen betalingsachterstanden gemeld.
Toetstermen 1a.10, 1b.3, 1c.6Meer hierover →
Box 1
Het deel van de inkomstenbelasting voor inkomen uit werk en woning: winst uit onderneming, loon, resultaat uit overige werkzaamheden, periodieke uitkeringen zoals lijfrente of alimentatie, en inkomsten uit de eigen woning. Onder de AOW-leeftijd is het tarief in 2026 35,75% tot en met € 38.883, 37,56% tot € 78.426 en 49,50% daarboven.
Toetsterm 1a.8Meer hierover →
Box 2
Het deel van de inkomstenbelasting voor inkomen uit aanmerkelijk belang, zoals dividend en de winst bij verkoop van aandelen. Het tarief in 2026 is 24,5% tot en met € 68.843 en 31% daarboven, per persoon; fiscale partners kunnen dit inkomen onderling verdelen.
Toetsterm 1a.8Meer hierover →
Box 3
Het deel van de inkomstenbelasting voor sparen en beleggen. Over bezittingen min schulden op 1 januari wordt een forfaitair rendement berekend, en het rendement op het deel boven het heffingsvrij vermogen (€ 59.357 per persoon in 2026) is belast tegen 36%. Een stelsel met werkelijk rendement is beoogd per 1 januari 2028.
Toetsterm 1a.8Meer hierover →

C

CDFDook: College Deskundigheid Financiële Dienstverlening
College Deskundigheid Financiële Dienstverlening: stelt de Wft-examens samen, publiceert per module de eind- en toetstermen en erkent de exameninstituten die de examens afnemen. Elk jaar per 1 april worden de examens bijgewerkt naar de wet- en regelgeving van 1 januari van dat jaar.
ExamenbegripMeer hierover →
Cesuurook: zak-/slaaggrens
De grens tussen slagen en zakken. Voor alle initiële Wft-examens is dat 68% van het maximale aantal punten; bij Wft Basis 42,84 van de 63 punten. Wie precies 68% haalt, krijgt een 5,5, en dat wordt afgerond naar een 6.
ExamenbegripMeer hierover →
Cliëntenonderzoek
Het onderzoek dat een bank of andere Wwft-instelling naar een klant moet doen: identificeren en verifiëren, de UBO vaststellen, doel en aard van de relatie bepalen, controleren wie namens de klant optreedt en de relatie doorlopend volgen. De gegevens blijven tot 5 jaar na het einde van de relatie bewaard.
Toetstermen 1a.9, 1b.2, 2b.1
Consumptief krediet
Krediet aan een consument, iemand die niet handelt in beroep of bedrijf, zoals een persoonlijke lening, doorlopend krediet of huurkoop. De regels staan in het BW en de Wft. Buiten de BW-regels vallen krediet met een hypotheek als zekerheid, krediet zonder rente en kosten en krediet dat binnen 3 maanden met geringe kosten wordt terugbetaald.
Toetstermen 1c.2, 1c.5Meer hierover →
Curatele
De zwaarste beschermingsmaatregel: de kantonrechter stelt iemand onder curatele als een lichtere maatregel niet volstaat. De curandus is handelingsonbekwaam en handelt met toestemming van de curator, die zowel over vermogen als over persoonlijke zaken gaat. De curatele wordt ingeschreven in het openbare curatele- en bewindregister.
Toetstermen 1a.11, 1c.7

D

Deposito
Een spaarvorm waarbij geld voor een vaste periode tegen een vaste rente wordt vastgezet; tussentijds opnemen kan niet of alleen tegen een boete. Omdat de bank langer over het geld beschikt, is de rente meestal hoger dan op een vrij opneembare spaarrekening. Een deposito valt onder het depositogarantiestelsel.
Toetstermen 1b.8, 1b.9, 1b.14
Depositogarantiestelselook: DGS
Regeling die tegoeden bij een failliete bank beschermt tot € 100.000 per depositohouder per bank, uit te betalen binnen 7 werkdagen. Ze geldt voor particulieren en de meeste bedrijven, niet voor onder meer financiële instellingen en overheden; merknamen van één bank tellen samen. Beleggingen en verzekeringen zijn niet gedekt, en DNB voert het stelsel uit.
Toetstermen 1b.20, 1b.21Meer hierover →
Dienstverleningsdocumentook: DVD
Het document waarin een financiële dienstverlener tot 1 april 2023 zijn dienstverlening en kosten aan de klant beschreef. Sinds die datum is het vervangen door de vergelijkingskaart, die de klant krijgt voordat de dienstverlening begint bij producten onder het provisieverbod.
Toetstermen 1f.2, 1f.3Meer hierover →
DNBook: De Nederlandsche Bank
De Nederlandsche Bank: de prudentiële toezichthouder, die let op de financiële gezondheid van banken, verzekeraars en pensioenfondsen en op de stabiliteit van het financiële stelsel. DNB verleent vergunningen aan verzekeraars en voert het depositogarantiestelsel uit. Op de grootste banken in de eurozone houdt sinds november 2014 de ECB direct toezicht.
Toetstermen 1f.13, 1f.14, 1f.20Meer hierover →
Doorlopend krediet
Een krediet met een vaste limiet waarbinnen de klant steeds opnieuw geld kan opnemen en aflossen; de limiet geldt als kredietsom. Bij een limiet boven € 250 wordt het krediet bij BKR geregistreerd, en een betalingsachterstand wordt daar na 3 maanden gemeld.
Toetstermen 1a.10, 1c.3, 1c.5Meer hierover →
Dubbele verzekering
Situatie waarin dezelfde schade onder twee of meer verzekeringen valt. De verzekerde kan elke verzekeraar aanspreken, maar krijgt in totaal nooit meer dan zijn schade; de verzekeraars verdelen de kosten onderling naar verhouding van hun dekking (art. 7:961 BW). Polissen regelen dit vaak met een subsidiariteits- of excedentclausule.
Toetsterm 1g.16Meer hierover →
DUOook: Dienst Uitvoering Onderwijs
Dienst Uitvoering Onderwijs, de overheidsdienst die de uitslag van een Wft-examen verstuurt: binnen twee werkdagen komt een mail met het cijfer en of je bent geslaagd. Certificaat of diploma download je daarna in Mijn Wft, waar je bij een 4 of 5 ook een inzage plant.
ExamenbegripMeer hierover →

E

Eenmalig verhoogde vrijstelling
Hogere vrijstelling van schenkbelasting voor een kind tussen 18 en 40 jaar: in 2026 € 33.129, of € 69.009 voor een dure studie. Ze geldt eenmaal per schenker, vervangt in dat jaar de jaarlijkse vrijstelling en moet in de aangifte worden gevraagd. De aparte woningvrijstelling (jubelton) bestaat sinds 2024 niet meer.
Toetsterm 1a.6Meer hierover →
Eigen gebrek
Schade die ontstaat door de aard of een gebrek van de verzekerde zaak zelf, zoals slijtage of roest. Volgens art. 7:951 BW vergoedt de verzekeraar die schade niet, maar dat is regelend recht: een polis mag eigen gebrek geheel of gedeeltelijk meeverzekeren.
Toetsterm 1g.13Meer hierover →
Eigen risico
Het deel van een schade dat de verzekerde volgens de polis zelf betaalt, meestal een vast bedrag per schadegeval. Een hoger eigen risico geeft doorgaans een lagere premie. Bij de zorgverzekering is het eigen risico wettelijk vastgelegd en geldt het per kalenderjaar.
Toetsterm 1e.8
Eigen risico zorgverzekering
Het deel van de zorgkosten uit de basisverzekering dat een verzekerde van 18 jaar of ouder eerst zelf betaalt. Het verplicht eigen risico is in 2026 € 385 per jaar, net als in 2025, en kan vrijwillig met maximaal € 500 worden verhoogd. Voor kinderen en onder meer de huisarts geldt geen eigen risico.
Toetsterm 1d.15Meer hierover →
Eigenwoningforfait
Een fictief inkomen uit de eigen woning dat een eigenaar-bewoner in box 1 meetelt, berekend als percentage van de WOZ-waarde. In 2026 is dat 0,35% bij een WOZ-waarde van € 75.000 tot € 1.350.000, en daarboven € 4.725 plus 2,35% van het meerdere. De aftrekbare hypotheekrente gaat ervan af.
Toetsterm 1a.8Meer hierover →
Eindterm
Een hoofdonderwerp van de examenstof. Het CDFD publiceert per module de eindtermen; Wft Basis heeft er onder meer zeven over kennis, 1a tot en met 1g, van financiële huishouding tot verzekeringsrecht. Elke eindterm is uitgewerkt in toetstermen, die precies zeggen wat je moet kennen of kunnen.
ExamenbegripMeer hierover →
En/of-rekening
Een gezamenlijke rekening waarover elke rekeninghouder zelfstandig mag beschikken; bij een en-en-rekening kan dat alleen samen. Overlijdt een van de houders, dan blijft de en/of-rekening open voor de ander. Voor de depositogarantie heeft elke houder een eigen dekking tot € 100.000, bij twee houders samen dus tot € 200.000.
Toetstermen 1b.1, 1b.21Meer hierover →
Erfbelasting
Belasting over wat iemand verkrijgt krachtens erfrecht, zoals een erfdeel, een legaat of de vordering uit de wettelijke verdeling; de verkrijger betaalt. De vrijstelling is in 2026 € 828.035 voor de partner en € 26.230 voor een kind. Daarboven betalen partner en kinderen 10% tot € 158.669 en 20% over het meerdere.
Toetsterm 1a.6Meer hierover →
EVRook: Extern Verwijzingsregister, EVA
Extern Verwijzingsregister, vroeger EVA: het register waarin banken, verzekeraars en andere deelnemers aan het incidentenprotocol PIFI personen vermelden die bij fraude of misbruik betrokken waren. Andere deelnemers zien alleen of iemand erin staat. Een vermelding blijft maximaal 8 jaar staan; het doel is de veiligheid en integriteit van de financiële sector.
Toetsterm 1b.3

F

Forfaitair rendement
Het rendement dat de wet in box 3 veronderstelt, los van wat iemand werkelijk verdiende. Voor 2026 is dat 1,28% op banktegoeden (voorlopig), 6,00% op overige bezittingen zoals beleggingen en 2,70% op schulden (voorlopig). Sinds 19 juli 2025 kan iemand met de tegenbewijsregeling aantonen dat zijn werkelijke rendement lager was.
Toetsterm 1a.8Meer hierover →

G

Gedragstoezicht
Toezicht op het gedrag van financiële ondernemingen: verlopen markten ordelijk en transparant, gaan marktpartijen zuiver met elkaar om en worden klanten zorgvuldig behandeld (art. 1:25 Wft)? In Nederland doet de AFM dit. Het doel is dat consumenten de financiële sector kunnen vertrouwen.
Toetstermen 1f.13, 1f.14Meer hierover →
Gemoedsbezwaarden
Mensen die op grond van hun levensovertuiging bezwaar hebben tegen elke vorm van verzekering. De SVB kan hen ontheffen van de premie voor een of meer volksverzekeringen, of voor alle werknemersverzekeringen samen. Ze betalen dan een vervangende belasting, krijgen geen AOW of WW en ontvangen vanaf de AOW-leeftijd een uitkering ter hoogte van de AOW.
Toetsterm 1d.10Meer hierover →
Geregistreerd partnerschap
Een samenlevingsvorm die bij de burgerlijke stand wordt aangegaan en vermogensrechtelijk en in het erfrecht dezelfde gevolgen heeft als een huwelijk. Het verschil zit in de beëindiging: zonder gezamenlijke kinderen onder hun gezag kunnen partners met wederzijds goedvinden uit elkaar gaan via een verklaring bij de burgerlijke stand, zonder rechter.
Toetsterm 1a.4Meer hierover →
Goederenkrediet
Krediet waarbij de klant een roerende zaak krijgt, zoals een auto of witgoed, en die later in termijnen betaalt, bijvoorbeeld bij koop op afbetaling of huurkoop. Bij geldkrediet krijgt de klant juist een geldbedrag, zoals bij een persoonlijke lening. Voor goederenkrediet heeft een gehuwde of geregistreerde partner toestemming van de ander nodig.
Toetstermen 1a.7, 1c.4Meer hierover →

H

Handelingsbekwaamheid
Het vermogen om zelf geldige rechtshandelingen te verrichten, zoals een rekening openen of krediet sluiten. Iedereen is handelingsbekwaam, tenzij de wet anders bepaalt: niet wie jonger is dan 18 of onder curatele staat. Zij handelen met toestemming van hun wettelijk vertegenwoordiger of curator; anders is de rechtshandeling vernietigbaar.
Toetstermen 1a.11, 1c.7
Heffingsvrij vermogen
Het deel van het vermogen in box 3 waarover geen belasting wordt geheven. In 2026 is dat € 59.357 per persoon en € 118.714 voor fiscale partners samen (2025: € 57.684 per persoon). Alleen het rendement op het vermogen daarboven wordt belast, tegen 36%.
Toetsterm 1a.8Meer hierover →
Huurkoop
Koop op afbetaling waarbij de verkoper eigenaar van de zaak blijft totdat de laatste termijn is betaald. Het is een vorm van goederenkrediet, dus een gehuwde of geregistreerde partner heeft er toestemming van de ander voor nodig; zonder die toestemming kan de ander de overeenkomst vernietigen.
Toetstermen 1a.7, 1c.5Meer hierover →
Huwelijkse voorwaarden
Afspraken tussen (aanstaande) echtgenoten over hun vermogen die afwijken van de wettelijke gemeenschap van goederen, bijvoorbeeld volledig gescheiden vermogens. Ze kunnen vóór of tijdens het huwelijk worden gemaakt en zijn alleen geldig in een notariële akte; anders zijn ze nietig.
Toetsterm 1a.4Meer hierover →
Hypotheekrenteaftrek
De aftrek in box 1 van rente op een lening voor de eigen woning, de eigenwoningschuld. In 2026 levert die aftrek hoogstens 37,56% belastingvoordeel op, ook voor wie in de hoogste schijf valt. Voor schulden vanaf 1 januari 2013 geldt de aftrek alleen als aan de aflossingseis wordt voldaan.
Toetsterm 1a.8Meer hierover →

I

iDEAL
Een Nederlandse betaalmethode voor internetbetalingen: de koper keurt in de omgeving van zijn eigen bank een overboeking goed, die direct van zijn betaalrekening wordt afgeschreven. Het is een vorm van girale betaling, net als de gewone en de periodieke overboeking en incasso.
Toetsterm 1b.5
Inboedelverzekering
Bezitsverzekering voor de spullen in en om het huis, zoals meubels, kleding en apparatuur, tegen onder meer brand en inbraak. Schade wordt meestal vergoed op basis van nieuwwaarde of vervangingswaarde. Veel polissen geven een garantie tegen onderverzekering, zodat de verzekeraar geen evenredige korting toepast als de verzekerde som te laag blijkt.
Toetstermen 1e.7, 1e.8
Indemniteitsbeginsel
Het uitgangspunt bij schadeverzekeringen dat de verzekerde door de uitkering niet in een duidelijk voordeliger positie mag komen (art. 7:960 BW); daarom levert oververzekering niets op. Een uitzondering is een waarde die vooraf door een deskundige is getaxeerd. Van het beginsel mag niet worden afgeweken: het is dwingend recht.
Toetstermen 1g.15, 1g.16Meer hierover →
Inducementnormook: passende provisie
De regel dat een bemiddelaar bij gewone schadeverzekeringen, zoals inboedel, auto en aansprakelijkheid, wel provisie van de verzekeraar mag ontvangen, mits die passend is. De klant krijgt kosteloos te horen dat er provisie is, welke soort en hoeveel, en de provisie mag zijn belang niet schaden (art. 86d BGfo).
Toetsterm 1f.12Meer hierover →

K

K/B-vraagook: kennis en begrip
Examenvraag over kennis en begrip: een korte vraag over feiten, begrippen of inzicht, met een kort antwoord. Een K/B-vraag levert maximaal 1 punt op. Wft Basis begint met 21 K/B-vragen, samen 21 van de 63 punten.
ExamenbegripMeer hierover →
Kifidook: Klachteninstituut Financiële Dienstverlening
Klachteninstituut Financiële Dienstverlening: de erkende geschilleninstantie waarbij elke financiële dienstverlener moet zijn aangesloten. Een consument klaagt eerst bij de dienstverlener en kan daarna gratis naar het Kifid, binnen 3 maanden na diens definitieve standpunt of binnen 1 jaar na de eerste klacht (de gunstigste termijn telt). Beroep bij de Commissie van Beroep kost € 500.
Toetstermen 1f.5, 1f.21Meer hierover →
Klachtenprocedure
De interne regeling waarmee een financiële dienstverlener klachten behandelt; elke dienstverlener moet er een hebben. Komt er na 8 weken geen definitief standpunt, of is de klant het er niet mee eens, dan kan hij naar het Kifid of de rechter. Wie een klacht aanneemt, zegt niets toe en verwijst zo nodig door.
Toetstermen 1f.5, 3c.1Meer hierover →
Klantprofiel
De vastlegging van de persoonlijke en financiële situatie van een klant: inkomen, vermogen en verplichtingen, doelen, kennis en ervaring, en risicobereidheid. Het profiel is de basis voor een passend advies volgens de adviesregel en hoort in het klantdossier, zodat later te reconstrueren is waarop het advies berustte.
Toetstermen 1d.1, 2d.1Meer hierover →
Kredietvergoeding
Alle kosten die een consument voor een krediet betaalt, in welke vorm ook. Het maximum wordt uitgedrukt als percentage van de kredietsom: het geleende bedrag, of bij doorlopend krediet de limiet. Per 1 januari 2026 is dat maximum de wettelijke rente plus 8 procentpunt: 4% + 8 = 12% op jaarbasis.
Toetstermen 1c.3, 1c.10Meer hierover →
Kredietwaardigheid
De mate waarin een kredietaanvrager naar verwachting kan en wil terugbetalen. De kredietgever kijkt naar moraliteit (betalingsgedrag, BKR), financiële positie (inkomen, vaste lasten, schulden, vermogen) en zekerheden (onderpand, borgtocht, hypotheek). Is een krediet onverantwoord, dan mag hij het niet verstrekken (art. 4:34 Wft).
Toetstermen 1c.1, 1c.17

L

Legitieme portie
Het deel van de nalatenschap waarop een afstammeling, meestal een kind, ook na onterving recht heeft: in de praktijk de helft van zijn wettelijk erfdeel. Het is een geldvordering op de erfgenamen die uiterlijk 5 jaar na het overlijden moet worden ingeroepen. Partner en ouders hebben geen legitieme portie.
Toetsterm 1a.5Meer hierover →
Legitimatiebewijsook: identiteitsbewijs
Document waarmee een klant zijn identiteit aantoont, bijvoorbeeld bij het openen van een rekening. Onder de Wwft zijn onder meer toegestaan: een geldig paspoort, een Nederlandse identiteitskaart, een Nederlands rijbewijs, een identiteitskaart uit een andere EU-lidstaat en een vreemdelingendocument. Een bank mag zelf kiezen welke van deze documenten zij accepteert.
Toetstermen 1a.9, 2b.1
Lineaire hypotheek
Een hypotheek waarop elke maand hetzelfde bedrag wordt afgelost. Doordat de schuld snel daalt, wordt ook het rentedeel kleiner: de maandlast begint hoog en neemt af. Lineair aflossen gaat sneller dan annuïtair en voldoet daarom aan de aflossingseis.
Toetsterm 1c.23Meer hierover →
LTIook: loan-to-income
Loan-to-income: de leennorm die bepaalt hoeveel hypotheek iemand op basis van zijn inkomen mag lenen. De financieringslast, berekend als annuïteit over 30 jaar, mag niet hoger zijn dan het toetsinkomen maal het financieringslastpercentage uit de Tijdelijke regeling hypothecair krediet. Afhankelijk van het energielabel mag in 2026 tot € 40.000 buiten die toets blijven.
Toetsterm 1c.18
LTVook: loan-to-value
Loan-to-value: de verhouding tussen de hypotheek en de waarde van de woning. In 2026 mag de hypotheek maximaal 100% van de woningwaarde zijn, of tot 106% als het meerdere naar energiebesparende voorzieningen gaat. De waarde is de koopsom of de marktwaarde uit een taxatierapport van hoogstens een jaar oud.
Toetsterm 1c.15Meer hierover →

M

Mededelingsplicht
De plicht van de verzekeringnemer om vóór het sluiten alle feiten te melden die voor de acceptatie van belang zijn, ook feiten die hij behoort te kennen. Een strafrechtelijk verleden geldt alleen over 8 jaar en als er uitdrukkelijk naar is gevraagd. De verzekeraar moet een schending binnen 2 maanden na ontdekking melden.
Toetsterm 1g.12Meer hierover →
Mentorschap
Beschermingsmaatregel voor de persoonlijke, niet-financiële belangen van een meerderjarige, zoals verzorging, verpleging en medische behandeling. De mentor beslist niet over geld en goederen; daarvoor is er beschermingsbewind. Anders dan curatele en bewind wordt mentorschap niet ingeschreven in het openbare register.
Toetsterm 1a.11
Minnelijk trajectook: minnelijke schuldregeling
Een schuldregeling buiten de rechter om, waarbij een schuldhulpverlener met alle schuldeisers afspreekt dat zij een deel van hun vordering krijgen en de rest kwijtschelden. Het traject is niet wettelijk geregeld en duurt sinds 2023 in de praktijk standaard 18 maanden. Lukt het niet, dan kan de Wsnp volgen.
Toetsterm 1a.12

N

NHGook: Nationale Hypotheekgarantie
Nationale Hypotheekgarantie: een borgstelling door de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen. De klant krijgt meestal een lagere rente en kan een restschuld na gedwongen verkoop kwijtgescholden krijgen als hij te goeder trouw was. In 2026 is de NHG-grens € 470.000, of € 498.200 met energiebesparende voorzieningen, en de eenmalige borgtochtprovisie 0,4%.
Toetsterm 1c.20Meer hierover →

O

Obligatie
Een schuldbewijs: de belegger leent geld aan een overheid of onderneming en krijgt een vaste rente (coupon) en aan het einde van de looptijd het geleende bedrag terug. Stijgt de marktrente, dan daalt de koers van bestaande obligaties, omdat nieuwe meer opleveren; hoe langer de resterende looptijd, hoe sterker dat effect.
Toetstermen 1b.17, 1b.19Meer hierover →
Onderverzekering
Een verzekerde som die lager is dan de werkelijke waarde. De verzekeraar vergoedt de schade dan naar evenredigheid (art. 7:958 lid 5 BW): verzekerde som gedeeld door werkelijke waarde, maal de schade. Wie € 60.000 verzekert voor een waarde van € 80.000, krijgt bij € 20.000 schade € 15.000, behalve met een garantie tegen onderverzekering.
Toetstermen 1g.16, 2a.1Meer hierover →
Onopzegbare polis
Een verzekering die de verzekeraar niet kan opzeggen of eenzijdig kan wijzigen, zoals vaak een arbeidsongeschiktheids- of levensverzekering; het is geen wettelijk begrip. Beëindigen kan toch, onder meer bij schending van de mededelingsplicht met opzet tot misleiding, bij wanbetaling van premie na aanmaning en, als de polis dat bepaalt, bij fraude.
Toetstermen 1g.17, 1g.18
Ontsparen
Interen op eerder opgebouwd vermogen: spaargeld opnemen om uitgaven te doen, bijvoorbeeld na de pensionering, als het inkomen daalt naar AOW en pensioen. Sparen is het omgekeerde: een deel van het inkomen niet uitgeven maar opzijzetten. Bij lenen gebruik je tijdelijk geld van een ander, met de plicht het terug te betalen, meestal met rente.
Toetstermen 1a.1, 1a.3
Opstalverzekering
Bezitsverzekering voor het woonhuis zelf, zoals muren, dak en vaste installaties. Een gebouw wordt in beginsel verzekerd op herbouwwaarde: wat het kost om het opnieuw op te bouwen. Een hypotheekverstrekker eist meestal een opstalverzekering; dat is een contractuele eis, geen wettelijke.
Toetstermen 1d.3, 1e.7, 1e.8

P

Pensioenpijlersook: drie pijlers
De drie lagen van het Nederlandse pensioenstelsel. De eerste pijler is de AOW van de overheid, de tweede het aanvullend pensioen dat via de werkgever wordt opgebouwd bij een pensioenfonds, verzekeraar of PPI, en de derde wat iemand zelf regelt, zoals lijfrente en banksparen.
Toetstermen 1d.17, 1d.18Meer hierover →
Permanente educatieook: PE
Het onderhouden van een Wft-diploma: wie adviseert, haalt per beroepskwalificatie in elke PE-periode van drie jaar een PE-examen. De lopende periode loopt van 1 april 2025 tot en met 31 maart 2028. Voor Wft Basis bestaat geen PE, omdat Basis een module is en geen beroepskwalificatie.
ExamenbegripMeer hierover →
Persoonlijke leningook: aflopend krediet
Een aflopend krediet: een vast bedrag dat de klant in een vaste looptijd met vaste maandtermijnen terugbetaalt, zonder opnieuw te kunnen opnemen. Bij een kredietbedrag boven € 250 komt de lening bij BKR, en een betalingsachterstand wordt daar na 2 maanden gemeld.
Toetstermen 1a.10, 1c.5Meer hierover →
PG-vraagook: professioneel gedrag
Examenvraag over professioneel gedrag: een casus met één vraag over een dilemma uit de praktijk, bijvoorbeeld over service en kosten, bevoegdheden of een situatie die wettelijk niet mag. Een PG-vraag is maximaal 2 punten waard; Wft Basis heeft er 2, samen 4 punten.
Toetstermen 4a.1, 4a.2, 4a.3, 4a.4, 4a.5Meer hierover →
Polisvoorwaarden
De voorwaarden die bij een verzekering horen: wat gedekt en uitgesloten is, het eigen risico, de verplichtingen bij schade en hoe opzeggen werkt. Samen met het polisblad leggen ze de overeenkomst vast. Wijzigt de verzekeraar voorwaarden of premie in het nadeel van de verzekeringnemer, dan mag die opzeggen tegen de datum van de wijziging.
Toetstermen 1g.1, 1g.21Meer hierover →
Premie
Het bedrag dat de verzekeringnemer voor een verzekering betaalt. Bij een schadeverzekering is dat de risicopremie (kans maal gemiddeld schadebedrag) plus opslagen voor kosten en voor winst en solvabiliteit, min eventuele korting zoals no-claim. Daarbij komen poliskosten en, als de verzekering belast is, 21% assurantiebelasting over premie en kosten samen.
Toetstermen 1d.11, 1e.3, 1e.5
Premierestitutieook: terugbetaling van premie
Het terugkrijgen van premie als een verzekering tussentijds eindigt: de lopende premie wordt dan naar billijkheid verminderd (art. 7:939 BW), behalve als de verzekeraar opzegt omdat de klant hem opzettelijk wilde misleiden. Is er helemaal geen risico gelopen, dan is in beginsel geen premie verschuldigd.
Toetsterm 1g.22Meer hierover →
Provisieverbodook: verbod op provisie
Het verbod voor adviseurs en bemiddelaars om provisie van de aanbieder te ontvangen bij complexe producten, hypothecair krediet, individuele arbeidsongeschiktheids-, overlijdensrisico- en uitvaartverzekeringen, betalingsbeschermers en premiepensioenvorderingen. Het geldt sinds 1 januari 2013: de klant betaalt de adviseur rechtstreeks, zodat de beloning het advies niet stuurt. Voor beleggingsdiensten aan niet-professionele beleggers geldt een verbod sinds 2014.
Toetsterm 1f.8Meer hierover →
Prudentieel toezicht
Toezicht op de financiële soliditeit van banken, verzekeraars en pensioenfondsen en op de stabiliteit van het financiële stelsel (art. 1:24 Wft): hebben ze genoeg kapitaal en buffers om hun verplichtingen na te komen? In Nederland doet DNB dit; op de grootste banken in de eurozone houdt de ECB direct toezicht.
Toetstermen 1f.13, 1f.14Meer hierover →

R

Recht van hypotheekook: hypotheekrecht
Zekerheidsrecht op een registergoed, zoals een woning: de schuldeiser mag zich bij voorrang op dat goed verhalen. De eigenaar die het recht verleent heet hypotheekgever, de geldverstrekker hypotheeknemer. Krediet met deze zekerheid op een woning is hypothecair krediet; bij wanbetaling kan de woning zonder rechter worden geveild (parate executie).
Toetstermen 1c.9, 1c.12Meer hierover →
Rechtsbijstandverzekering
Verzekering die de kosten van juridische hulp en procedures dekt. Er zijn drie hoofdvormen: gezinsrechtsbijstand voor geschillen van het gezin, zoals over werk, wonen of een aankoop, motorrijtuigenrechtsbijstand voor verhaal na een verkeersongeval en bedrijfsrechtsbijstand voor ondernemers. De premie is belast met 21% assurantiebelasting.
Toetsterm 1e.11
Registergoed
Een goed dat alleen kan worden overgedragen of met een recht bezwaard door inschrijving in een openbaar register, zoals een woning, grond of een teboekgesteld schip of luchtvaartuig. Het Kadaster houdt deze registers bij. Op een registergoed kan een recht van hypotheek worden gevestigd, met een notariële akte.
Toetstermen 1c.14, 1c.21Meer hierover →
Rentevaste periode
De periode waarin de rente van een lening, meestal een hypotheek, vaststaat. Hoe langer die periode, hoe hoger de rente normaal is, omdat zekerheid geld kost. Bij variabele rente kan de rente juist tussentijds wijzigen, zodat de klant zelf het risico van een rentestijging draagt.
Toetstermen 1c.25, 1c.26Meer hierover →
Respijtmaatregel
Een maatregel die een kredietgever bij betalingsproblemen van een klant waar passend moet treffen, zoals uitstel van betaling voor een bepaalde periode, een langere looptijd, een lagere rente, tijdelijk aflossingsvrij, herfinanciering of gedeeltelijke kwijtschelding. Deze plicht geldt sinds 18 juli 2025 voor consumptief én hypothecair krediet.
Toetstermen 1c.10, 1c.27
Respijttermijn
De periode na de vervaldatum van de premie waarin de dekking nog doorloopt, zodat de klant alsnog kan betalen; geen wettelijk begrip. Wettelijk mag de verzekeraar de dekking bij een onbetaalde vervolgpremie pas schorsen of beëindigen na een aanmaning met een betalingstermijn van 14 dagen. Bij een levensverzekering is die termijn minstens 1 maand.
Toetstermen 1g.23, 1g.24Meer hierover →
Risicoprofiel
De vastlegging van hoeveel risico een klant met zijn geld wil en kan lopen. Het hoort bij het klantprofiel: volgens de adviesregel weegt een adviseur de risicobereidheid mee naast financiële positie, kennis, ervaring en doelstellingen. Bij beleggingsadvies en vermogensbeheer toetst hij aan dit profiel of een belegging geschikt is.
Toetstermen 1d.1, 1f.19, 3d.1Meer hierover →
Risicospreiding
Maatregelen waarmee een verzekeraar voorkomt dat één gebeurtenis, zoals een storm of grote brand, hem te zwaar raakt. Hij brengt een deel van zijn risico’s onder bij een herverzekeraar, deelt grote risico’s met andere verzekeraars (co-assurantie of pools), stelt een maximaal eigen behoud vast en spreidt over regio’s en producten.
Toetsterm 1e.4

S

Samenlevingscontract
Een overeenkomst waarin ongehuwd samenwonenden afspraken maken over bijvoorbeeld kosten, bezittingen en wat er gebeurt als ze uit elkaar gaan; notarieel of onderhands. Samenwoners hebben geen wettelijk huwelijksvermogensregime en geen wettelijk erfrecht, dus voor erven is een testament nodig. Voor de erfbelasting kan een samenwonende partner onder voorwaarden wel de partnervrijstelling krijgen.
Toetsterm 1a.4Meer hierover →
Schadeverzekering
Een verzekering die vermogensschade van de verzekerde vergoedt, zoals een inboedel-, auto- of ziektekostenverzekering. De uitkering hangt af van de werkelijke schade, want de verzekerde mag er niet duidelijk op vooruitgaan (indemniteitsbeginsel), en na betaling kan de verzekeraar de schade verhalen op de veroorzaker (subrogatie). Tegenhanger is de sommenverzekering.
Toetstermen 1g.9, 1g.11Meer hierover →
Schenkbelasting
Belasting die de ontvanger van een schenking betaalt over het bedrag boven de vrijstelling. In 2026 is per jaar vrijgesteld: € 6.908 van ouders aan een kind en € 2.769 voor andere ontvangers, ook kleinkinderen. Bij een schenking boven de vrijstelling doet de ontvanger aangifte vóór 1 maart van het jaar daarna.
Toetsterm 1a.6Meer hierover →
SEPA-incassoook: incasso, automatische incasso
Een girale betaling waarbij de betaler een ontvanger machtigt om bedragen van zijn rekening af te schrijven, bijvoorbeeld voor premie of huur. Bij een SEPA-incasso kan de betaler een afschrijving tot 8 weken daarna zonder opgave van redenen laten terugboeken (art. 7:531 BW).
Toetsterm 1b.5
Sociale voorziening
Een uitkering of regeling van de overheid zonder premie, betaald uit belastinggeld en meestal afhankelijk van het inkomen, zoals bijstand en toeslagen. Een sociale verzekering is wettelijk verplicht en wordt met premie betaald, zoals de AOW en de WW. Een particuliere verzekering, zoals een inboedelverzekering, sluit iemand vrijwillig.
Toetsterm 1e.6
Sommenverzekering
Een verzekering die een vooraf afgesproken bedrag uitkeert, ongeacht of en hoeveel schade er is, zoals een levensverzekering of een ongevallenverzekering met een vaste uitkering. Een sommenverzekering is alleen toegestaan als persoonsverzekering, dus over het leven of de gezondheid van een mens, of bij verzekeringen die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen.
Toetstermen 1g.10, 1g.11Meer hierover →
Spaarmotieven
De redenen waarom mensen sparen. De lesstof kent er drie: het zekerheidsmotief (een buffer voor onverwachte uitgaven), het doelmotief (sparen voor een bepaalde aankoop) en het vermogensmotief (vermogen laten groeien). Welk spaarproduct daarbij past, hangt af van liquiditeit, rendement en risico.
Toetstermen 1b.6, 1b.15

T

Technische voorziening
Het geld dat een verzekeraar reserveert om toekomstige uitkeringen te kunnen doen: voor gemelde schaden die nog niet zijn afgehandeld, voor schaden die nog gemeld gaan worden, voor vooruitbetaalde premie en bij levensverzekeringen voor de opgebouwde verplichtingen. Dit reserveren is wettelijk voorgeschreven; DNB houdt er toezicht op.
Toetsterm 1e.2
Tijdelijk hoog saldo
Extra depositogarantie voor particulieren: bovenop de € 100.000 maximaal € 500.000 per bank, gedurende 6 maanden na storting. Het geld moet aantoonbaar komen uit bijvoorbeeld de verkoop van de eigen woning, een ontslagvergoeding, een pensioen- of verzekeringsuitkering of een nalatenschap. Deze regeling geldt sinds 1 september 2024; daarvoor was het 3 maanden.
Toetsterm 1b.21Meer hierover →
Toestemming partner (art. 1:88 BW)
Een echtgenoot of geregistreerd partner heeft voor vier soorten handelingen toestemming van de ander nodig: het verkopen, bezwaren of verhuren van de woning waarin zij wonen, ongebruikelijke giften, borgtocht voor een ander en goederenkrediet zoals koop op afbetaling of huurkoop. Zonder toestemming kan alleen die ander de handeling vernietigen.
Toetstermen 1a.7, 1c.7Meer hierover →
Toetsterm
Een precieze omschrijving van wat een kandidaat moet kennen of kunnen, met een code zoals 1a.5 en een niveau: kennis (K), begrip (B), vaardigheid (V) of competentie (C). Niet elke toetsterm komt in elk examen. Bij Wft Basis zijn 1c.22, 1f.4 en 1f.9 vervallen.
ExamenbegripMeer hierover →
Twin peaks
Benaming voor het Nederlandse toezichtmodel, waarin het toezicht op de financiële sector naar doel is verdeeld over twee toezichthouders. DNB houdt prudentieel toezicht op soliditeit en de stabiliteit van het stelsel, de AFM gedragstoezicht op de omgang met klanten en de markt. Het Kifid is geen toezichthouder, maar een klachteninstituut.
Toetstermen 1f.13, 1f.20Meer hierover →

U

UBOook: uiteindelijk belanghebbende
Uiteindelijk belanghebbende: de natuurlijke persoon die uiteindelijk eigenaar is van een organisatie of er zeggenschap over heeft, bij een vennootschap via meer dan 25% van de aandelen, stemrechten of eigendomsbelang. Is er zo iemand niet, dan geldt het hoger leidinggevend personeel als pseudo-UBO. Banken stellen de UBO vast om witwassen via constructies te voorkomen.
Toetsterm 1b.3

V

V/C-vraagook: vaardigheden en competenties
Examenvraag over vaardigheden en competenties: de kandidaat past kennis toe in een casus, vaak met praktijkdocumenten, en per casus volgen een of meer vragen. Elke V/C-vraag telt maximaal 2 punten. Bij Wft Basis zijn dat 19 vragen en 38 van de 63 punten.
ExamenbegripMeer hierover →
Verbonden bemiddelaar
Bemiddelaar die in naam en voor rekening van één aanbieder werkt (of van meer, met niet-concurrerende producten) en geen premies int. De aanbieder is volledig verantwoordelijk en meldt hem bij de AFM; een eigen vergunning is niet nodig. Niet te verwarren met een gebonden bemiddelaar, die alleen contractueel aan aanbieders vastzit.
Toetstermen 1f.36, 1f.38Meer hierover →
Vergelijkingskaart
Informatiedocument dat de klant krijgt voordat de dienstverlening begint bij producten onder het provisieverbod, zoals een hypotheek of overlijdensrisicoverzekering. Erop staat onder meer welke dienstverlening hij krijgt, of het advies op onafhankelijke basis is, of de dienstverlener aan aanbieders gebonden is en wat het gemiddeld kost. De kaart verving per 1 april 2023 het dienstverleningsdocument.
Toetstermen 1f.2, 1f.3Meer hierover →
Versterferfrechtook: wettelijk erfrecht
Het erfrecht dat geldt als iemand geen testament heeft. De wet deelt de erfgenamen in vier groepen in: partner en kinderen, dan ouders met broers en zussen, dan grootouders, dan overgrootouders; een hogere groep sluit de lagere uit. Is een kind al overleden, dan nemen zijn kinderen zijn plaats in (plaatsvervulling).
Toetsterm 1a.5Meer hierover →
Verwerpen
Een erfenis weigeren. Wie verwerpt, wordt geacht nooit erfgenaam te zijn geweest: hij krijgt niets en betaalt geen schulden van de nalatenschap, en zijn kinderen kunnen in zijn plaats erven. De verklaring gaat naar de griffie van de rechtbank en is onherroepelijk; een kind dat verwerpt, kan geen legitieme portie meer vragen.
Toetsterm 1a.5
Verzekerde
Bij een schadeverzekering degene die bij schade recht heeft op vergoeding; bij een sommenverzekering degene op wiens leven of gezondheid de verzekering betrekking heeft. De verzekerde kan een ander zijn dan de verzekeringnemer, die de overeenkomst sluit, en dan de premiebetaler, bijvoorbeeld een werkgever.
Toetsterm 1g.5Meer hierover →
Verzekeringnemer
De partij die de verzekeringsovereenkomst met de verzekeraar sluit en daarvoor premie verschuldigd is (art. 7:925 BW). De verzekeringnemer heeft de mededelingsplicht, kan de verzekering opzeggen en wijst de begunstigde aan; zonder aanwijzing is hij zelf begunstigde. Hij is niet altijd ook de verzekerde.
Toetstermen 1g.5, 1g.8Meer hierover →
VISook: Verificatie Informatie Systeem, Verificatie Identificatie Systeem
Verificatie Informatie Systeem: een bestand van gestolen, vermiste of anderszins ongeldige paspoorten, identiteitskaarten, visa en rijbewijzen, gevuld met gegevens van onder meer RDW, RvIG en politie. Banken raadplegen het bij de identiteitscontrole van een klant, om identiteitsfraude te voorkomen.
Toetstermen 1b.3, 2b.1
Volksverzekeringen
Sociale verzekeringen voor iedereen die in Nederland woont of hier loonbelasting betaalt: AOW, Anw en Wlz, plus de kinderbijslag van de AKW. De SVB voert ze uit. De premie voor AOW, Anw en Wlz is in 2026 samen 27,65%, geheven over het inkomen in de eerste schijf; voor de AKW wordt geen premie geheven.
Toetstermen 1d.8, 1d.9Meer hierover →

W

WAMook: Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen: wie een motorrijtuig bezit of op wiens naam het kenteken staat, moet een WA-verzekering hebben, ter bescherming van verkeersslachtoffers. Per 1 januari 2026 dekt die minimaal € 6.450.000 aan personenschade en € 1.300.000 aan zaakschade per gebeurtenis. De benadeelde kan de verzekeraar rechtstreeks aanspreken.
Toetsterm 1e.10
Werknemersverzekeringen
Sociale verzekeringen voor werknemers in loondienst: de Ziektewet, de WW en de WIA. Het UWV voert ze uit en de uitkering hangt af van het loon, tot het maximumdagloon van € 304,25 per 1 januari 2026. Zzp’ers en dga’s zijn niet verplicht verzekerd; zzp’ers kunnen zich wel vrijwillig verzekeren bij het UWV.
Toetstermen 1d.7, 1d.9Meer hierover →
Wet Hillenook: aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld
Extra aftrek in box 1 voor wie geen of een kleine eigenwoningschuld heeft, waardoor het eigenwoningforfait hoger is dan de aftrekbare kosten. In 2026 mag 71,867% van dat verschil worden afgetrokken (2025: 76⅔%). De aftrek wordt afgebouwd en verdwijnt per 1 januari 2041.
Toetsterm 1a.8Meer hierover →
Wet van de grote aantallen
Het statistische principe dat het werkelijke schadeverloop de verwachte kans beter benadert naarmate er meer gelijksoortige risico’s zijn verzekerd. Daardoor kan een verzekeraar voor een grote groep vrij nauwkeurig voorspellen hoeveel schade er komt, en daar een betrouwbare premie op baseren.
Toetsterm 1e.1
Wettelijke verdeling
De verdeling die geldt als een overledene een echtgenoot en kinderen achterlaat, tenzij een testament haar uitsluit. De langstlevende krijgt alle goederen en betaalt de schulden; elk kind krijgt een geldvordering ter grootte van zijn erfdeel. Die is meestal pas opeisbaar als de langstlevende overlijdt, failliet gaat of in de Wsnp komt.
Toetstermen 1a.5, 2a.1Meer hierover →
Wftook: Wet op het financieel toezicht
Wet op het financieel toezicht: sinds 1 januari 2007 de wet die regelt wie in Nederland financiële diensten mag aanbieden. Ze bevat onder meer de vergunningplicht, het prudentieel toezicht door DNB, het gedragstoezicht door de AFM en de zorgplicht. Welke diploma’s een adviseur nodig heeft, staat in het BGfo, een besluit onder de Wft.
Toetstermen 1f.13, 1f.20Meer hierover →
Wft-vergunning
Toestemming om financiële diensten te verlenen. Adviseren, bemiddelen en krediet aanbieden vragen een vergunning van de AFM; verzekeraars krijgen hun vergunning van DNB en banken van de ECB, en die dekt ook advies en bemiddeling. Of een onderneming een vergunning heeft, staat in de openbare registers van AFM en DNB.
Toetstermen 1f.25, 1f.38Meer hierover →
WIAook: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen: werknemersverzekering bij langdurige arbeidsongeschiktheid, na een wachttijd van 104 weken. Recht bestaat vanaf 35% arbeidsongeschiktheid. Wie volledig (80% of meer) en duurzaam arbeidsongeschikt is, valt onder de IVA; wie 35 tot 80% arbeidsongeschikt is, of 80% of meer maar niet duurzaam, onder de WGA.
Toetstermen 1d.7, 1d.13Meer hierover →
Wlzook: Wet langdurige zorg
Wet langdurige zorg: de volksverzekering voor mensen die blijvend intensieve zorg of toezicht nodig hebben, bijvoorbeeld in een verpleeghuis. De premie is in 2026 9,65%, geheven via de eerste schijf van de inkomstenbelasting. Genezende zorg valt onder de Zorgverzekeringswet en ondersteuning thuis onder de Wmo 2015 van de gemeente.
Toetstermen 1d.8, 1d.15Meer hierover →
Wsnpook: Wet schuldsanering natuurlijke personen
Wet schuldsanering natuurlijke personen: de wettelijke schuldsanering waartoe de rechtbank iemand toelaat als een minnelijke regeling niet lukt en hij de afgelopen 3 jaar te goeder trouw was. Sinds 1 juli 2023 duurt het traject in beginsel 18 maanden. Daarna zijn de resterende schulden niet meer afdwingbaar: de schone lei.
Toetsterm 1a.12
Wtpook: Wet toekomst pensioenen
Wet toekomst pensioenen, in werking sinds 1 juli 2023. Nieuwe pensioenregelingen zijn premieovereenkomsten, solidair (collectief belegd en per leeftijdsgroep toebedeeld) of flexibel (individueel belegd), en de doorsneesystematiek verdwijnt. Pensioenfondsen moeten uiterlijk 1 januari 2028 zijn overgestapt; die datum was eerst 1 januari 2027.
Toetsterm 1d.18Meer hierover →
WWook: Werkloosheidswet
Werkloosheidswet: werknemersverzekering bij werkloosheid. Recht ontstaat als iemand in de laatste 36 weken minstens 26 weken heeft gewerkt; de uitkering duurt 3 tot maximaal 24 maanden, afhankelijk van het arbeidsverleden. Ze is de eerste 2 maanden 75% en daarna 70% van het WW-maandloon, tot het maximumdagloon.
Toetsterm 1d.7Meer hierover →
Wwftook: Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme
Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Banken en andere instellingen moeten cliëntenonderzoek doen en ongebruikelijke transacties onverwijld melden bij FIU-Nederland, zonder de klant daarover in te lichten. Sinds 1 januari 2026 mogen handelaren geen contante betaling van € 3.000 of meer voor goederen aannemen.
Toetstermen 1a.9, 2b.1, 3b.2

Z

Ziektewetook: ZW
Werknemersverzekering die een uitkering geeft bij ziekte aan wie geen werkgever (meer) heeft, zoals een uitzendkracht of iemand met een WW-uitkering. Heeft een zieke wel een werkgever, dan betaalt die 104 weken minstens 70% van het loon door, het eerste jaar minimaal het wettelijk minimumloon. De Ziektewet is dus een vangnet.
Toetsterm 1d.7Meer hierover →
Zorgplicht
Open norm uit art. 4:24a Wft: een financiëledienstverlener neemt de gerechtvaardigde belangen van zijn klant zorgvuldig in acht. Ze geldt voor iedere financiëledienstverlener, dus aanbieder, adviseur, bemiddelaar of gevolmachtigd agent, en een adviseur moet bovendien in het belang van de klant handelen. De AFM grijpt alleen in bij evidente misstanden.
Toetstermen 1f.15, 1f.16, 1f.17, 1f.18Meer hierover →
Zuiver aanvaarden
Een erfenis zonder voorbehoud aannemen. De erfgenaam is dan ook met zijn eigen vermogen aansprakelijk voor schulden van de nalatenschap, en wie zich als eigenaar van de nalatenschap gedraagt, heeft daarmee zuiver aanvaard. Voor een minderjarige erfgenaam mag de wettelijk vertegenwoordiger niet zuiver aanvaarden.
Toetsterm 1a.5

De omschrijvingen zijn van de redactie van Wftklaar en volgen de toetstermen van het CDFD en de wet- en regelgeving per 1 januari 2026. Meer over de stof per onderwerp staat in de samenvatting van Wft Basis.

Van begrip naar examenvraag

Weet je ze ook toe te passen?

Op het examen vraagt het CDFD zelden een definitie. Meestal pas je een begrip toe in een klantsituatie. Test dat met tien vragen, gratis en zonder account.