Leerstof Wft Basis
Wft Basis rekenvragen: negen berekeningen stap voor stap
Bijgewerkt op · redactie Wftklaar · werkwijze
Op deze pagina
De rekenvragen van Wft Basis gaan over zes soorten berekeningen: inkomstenbelasting (box 1, de eigen woning en box 3), erf- en schenkbelasting, de wettelijke verdeling bij erfrecht, verzekeringen (onderverzekering en assurantiebelasting), de depositogarantie en de balans of het inkomsten-uitgavenoverzicht van een klant. Een rekenvraag is goed of fout: je typt alleen het eindantwoord, deelpunten bestaan niet en de foutmarge staat er niet bij. Wat werkt: noteer de gegevens, reken in vaste stappen zonder tussentijds af te ronden en controleer of je uitkomst kan kloppen.
Probeer het zelf: 10 vragen, gratis
Alle vijf vraagvormen, met je cijfer en een toelichting per vraag. Zonder account, in ongeveer 15 minuten.
Doe het gratis mini-examenDe negen voorbeelden hieronder rekenen met de bedragen van 1 januari 2026 en ronden pas aan het eind af, op centen. Rekenen is vaardigheid 2a.1; bij elke vraag staat de toetsterm van de stof die je ervoor moet kennen. Voor belastingvragen heeft het CDFD een eigen afrondingsregel. Die staat bij de tips onderaan.
Box 1: hoeveel belasting betaal je over € 90.000?
Vraag (toetsterm 1a.8): Hoeveel inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen betaalt Daan over 2026, vóór heffingskortingen?
- Belastbaar inkomen uit werk en woning: € 90.000
- Leeftijd: 45 jaar, dus onder de AOW-leeftijd
Uitwerking
- Schijf 1 (tot en met € 38.883, 35,75%): 38.883 × 35,75% = € 13.900,6725
- Schijf 2 (tot € 78.426, 37,56%): (78.426 − 38.883) × 37,56% = 39.543 × 37,56% = € 14.852,3508
- Schijf 3 (daarboven, 49,50%): (90.000 − 78.426) × 49,50% = 11.574 × 49,50% = € 5.729,13
- Totaal: 13.900,6725 + 14.852,3508 + 5.729,13 = € 34.482,1533
Antwoord: € 34.482,15
Valkuil: 49,50% geldt alleen over het deel boven € 78.426; wie het hele inkomen tegen 49,50% rekent, komt op € 44.550 uit.
Eigen woning: wat levert de hypotheekrenteaftrek op?
Vraag (toetsterm 1a.8): Sanne woont in haar eigen huis. Hoeveel minder belasting betaalt ze in 2026 door haar eigen woning?
- WOZ-waarde: € 450.000
- Aftrekbare hypotheekrente in 2026: € 9.800
- Belastbaar loon: € 60.000
Uitwerking
- Eigenwoningforfait: 0,35% × 450.000 = € 1.575 (dat percentage geldt voor WOZ-waarden van € 75.000 tot € 1.350.000)
- Saldo eigen woning: 1.575 − 9.800 = −8.225. Dat negatieve saldo van € 8.225 is een aftrekpost
- Haar box 1-inkomen daalt van € 60.000 naar 60.000 − 8.225 = € 51.775 en blijft dus in schijf 2 (37,56%)
- Belastingvoordeel: 8.225 × 37,56% = € 3.089,31
Antwoord: € 3.089,31
Valkuil: ook wie in de hoogste schijf valt, trekt de rente in 2026 af tegen maximaal 37,56%, niet tegen 49,50%.
Box 3: hoeveel betalen fiscale partners met een schuld?
Vraag (toetsterm 1a.8): Ilse en Ruben zijn fiscale partners. Hoeveel box 3-belasting betalen ze samen over 2026? Gebruik de voorlopige percentages. Hun vermogen op 1 januari 2026:
- Spaargeld: € 110.000
- Beleggingen: € 100.000
- Persoonlijke lening: € 17.600
Uitwerking
- Schuld boven de drempel voor partners (€ 7.600): 17.600 − 7.600 = € 10.000
- Rendement: 1,28% × 110.000 = € 1.408, plus 6,00% × 100.000 = € 6.000, min 2,70% × 10.000 = € 270. Samen: 1.408 + 6.000 − 270 = € 7.138
- Rendementsgrondslag: 110.000 + 100.000 − 10.000 = € 200.000. Rendementspercentage: 7.138 / 200.000 = 3,569%
- Grondslag sparen en beleggen: 200.000 − 118.714 (heffingsvrij vermogen partners) = € 81.286
- Voordeel uit sparen en beleggen: 3,569% × 81.286 = € 2.901,09734
- Belasting: 36% × 2.901,09734 = € 1.044,3950
Antwoord: € 1.044,40
Vraagt de opgave om af te ronden zoals de Belastingdienst, dan rond je het voordeel af op € 2.901. De belasting is dan 36% × 2.901 = € 1.044,36, afgerond in het voordeel van de klant € 1.044.
Valkuil: de drempel gaat alleen van de schulden af; een schuld onder € 7.600 telt bij partners helemaal niet mee.
Wettelijke verdeling: hoeveel krijgt een kleinkind?
Vraag (toetsterm 1a.5): Kees overlijdt zonder testament. Hij laat zijn vrouw Ans en drie kinderen na. Zijn dochter Eva is eerder overleden; zij had twee kinderen. Hoe groot is de vordering van elk kind van Eva?
- Nalatenschap na aftrek van de schulden: € 500.000
- Geen testament, dus de wettelijke verdeling geldt
Uitwerking
- Ans en de kinderen erven gelijke delen. De kinderen van Eva nemen samen haar plaats in (plaatsvervulling), dus er zijn 5 erfdelen.
- Eén erfdeel: 500.000 / 5 = € 100.000
- Elk kind van Eva: 100.000 / 2 = € 50.000
- Door de wettelijke verdeling krijgt Ans alle goederen en draagt zij de schulden. De drie kinderen krijgen elk een geldvordering van € 100.000 op haar, de kinderen van Eva elk een van € 50.000. Die vorderingen zijn pas opeisbaar als Ans overlijdt, failliet gaat of in de Wsnp komt.
Antwoord: € 50.000
Valkuil: de twee kleinkinderen delen één erfdeel; wie door zes deelt, komt op € 83.333,33 per persoon uit.
Erfbelasting: wat betaalt een kind over € 240.000?
Vraag (toetsterm 1a.6): Fenna erft € 240.000 van haar moeder. Hoeveel erfbelasting betaalt ze?
- Verkrijging: € 240.000
- Fenna is een kind van de overledene
Uitwerking
- Vrijstelling kind 2026: € 26.230. Belast: 240.000 − 26.230 = € 213.770
- 10% over de eerste € 158.669: 10% × 158.669 = € 15.866,90
- 20% over de rest: (213.770 − 158.669) × 20% = 55.101 × 20% = € 11.020,20
- Totaal: 15.866,90 + 11.020,20 = € 26.887,10
Antwoord: € 26.887,10
Valkuil: de grens van € 158.669 geldt voor het bedrag na aftrek van de vrijstelling; wie 20% over alles rekent, komt op € 42.754 uit.
Schenkbelasting: wat betaalt een kleinkind over € 20.000?
Vraag (toetsterm 1a.6): Opa schenkt zijn kleindochter Noor (24) € 20.000. Hoeveel schenkbelasting moet Noor betalen?
- Schenking: € 20.000
- Noor is een kleinkind van de schenker
Uitwerking
- Vrijstelling 2026 voor een kleinkind (dezelfde als voor overige verkrijgers): € 2.769
- Belast: 20.000 − 2.769 = € 17.231
- Tarief voor kleinkinderen (tariefgroep 1A) tot € 158.669: 18%
- Schenkbelasting: 18% × 17.231 = € 3.101,58. Die betaalt de ontvanger.
Antwoord: € 3.101,58
Valkuil: Noor is 24, maar de eenmalig verhoogde vrijstelling van € 33.129 en het tarief van 10% gelden alleen voor kinderen, niet voor kleinkinderen.
Onderverzekering: hoeveel keert de verzekeraar uit?
Vraag (toetsterm 1g.16): Het huis van Mark is voor € 200.000 verzekerd, maar de herbouwwaarde is € 250.000. Een storm veroorzaakt € 45.000 schade. Hoeveel keert de opstalverzekeraar uit?
- Verzekerde som: € 200.000
- Herbouwwaarde: € 250.000
- Schade: € 45.000
- Geen garantie tegen onderverzekering
Uitwerking
- De verzekerde som is lager dan de waarde, dus er is onderverzekering. De vergoeding gaat naar evenredigheid omlaag (art. 7:958 lid 5 BW).
- Verhouding: 200.000 / 250.000 = 0,8
- Vergoeding: 0,8 × 45.000 = € 36.000
Antwoord: € 36.000
Valkuil: ook een schade die ver onder de verzekerde som blijft, wordt evenredig gekort; alleen een garantie tegen onderverzekering voorkomt dat.
Assurantiebelasting: wat kosten twee verzekeringen per jaar?
Vraag (toetstermen 1d.11 en 2b.3): Een klant sluit een inboedelverzekering en een ongevallenverzekering. Hoeveel betaalt hij per jaar, inclusief assurantiebelasting?
- Inboedel: premie € 156 en poliskosten € 6 per jaar
- Ongevallen: premie € 84 per jaar
- Alle bedragen zijn zonder assurantiebelasting
Uitwerking
- Inboedel: 21% assurantiebelasting over premie plus poliskosten, dus 21% × (156 + 6) = 21% × 162 = € 34,02
- Een ongevallenverzekering is vrijgesteld van assurantiebelasting
- Totaal: 162 + 34,02 + 84 = € 280,02
Antwoord: € 280,02
Valkuil: reken de assurantiebelasting ook over de poliskosten, maar niet over levens-, ongevallen- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.
Depositogarantie: welk deel van het spaargeld is niet gedekt?
Vraag (toetsterm 1b.21): Fatima en Joost sparen bij één bank. Een van de rekeningen van Fatima loopt via een andere merknaam van die bank. Er is geen tijdelijk hoog saldo. Welk bedrag valt buiten het depositogarantiestelsel?
- Spaarrekening Fatima: € 60.000
- Internetspaarrekening Fatima, andere merknaam: € 25.000
- Spaarrekening Joost: € 30.000
- En/of-rekening van hen samen: € 70.000
Uitwerking
- De en/of-rekening telt voor ieder voor de helft: 70.000 / 2 = € 35.000
- Fatima: 60.000 + 25.000 + 35.000 = € 120.000. Gedekt is € 100.000, dus € 20.000 niet
- Joost: 30.000 + 35.000 = € 65.000, helemaal gedekt
Antwoord: € 20.000
Valkuil: de grens is € 100.000 per persoon per bank, niet per rekening of per merknaam; per rekening bekeken lijkt alles gedekt.
Zo pak je een rekenvraag aan op het examen
- Lees eerst wat er gevraagd wordt. Per maand of per jaar, voor één persoon of samen, de belasting of het voordeel? Streep daarna de gegevens weg die je niet nodig hebt.
- Schrijf elke tussenstap op. Het exameninstituut geeft je een niet-programmeerbare rekenmachine en kladpapier. Met de stappen op papier vind je een tikfout snel terug.
- Laat tussenuitkomsten onafgerond. Reken door met het getal op je rekenmachine; schrijf je het over, neem dan alle decimalen mee. Alleen het eindantwoord rond je af, zoals de vraag aangeeft.
- Bij belastingvragen geldt de regel van de Belastingdienst. Volgens de kandidatenbrochure van het CDFD rond je dan tussentijds af op hele euro's, in het voordeel van de klant. In het box 3-voorbeeld wordt het antwoord dan € 1.044.
- Reken met de juiste peildatum. Examens tot en met 31 maart 2027 toetsen de bedragen van 1 januari 2026. Bij box 3 telt bovendien alleen wat de klant op 1 januari bezat.
- Controleer de orde van grootte. Box 3-belasting is 36% van het voordeel, en een vergoeding bij onderverzekering is nooit hoger dan de schade. Is je antwoord tien keer te groot of te klein, zoek dan een gemiste nul of komma.
- Typ alleen het getal en laat nooit een vraag open. Het euro- of procentteken staat al bij het invulveld. Duizendtallen scheid je met een punt, decimalen met een komma: 1.044,40. Twijfel je, typ dan toch je beste schatting in: voor een fout getal gaan er geen punten af. Meer over het nakijken lees je bij puntentelling.
Oefen daarna op examentempo. Begin met de rekenvraag tussen de voorbeeldvragen. Met een Basispas maak je volledige proefexamens met casussen, en bij elke rekenvraag zie je de uitwerking stap voor stap. Zit de stof zelf nog niet goed, lees dan eerst belasting en erfrecht of verzekeringsrecht.
Vragen
Veelgestelde vragen
Welke berekeningen komen voor bij Wft Basis?
Vooral inkomstenbelasting (box 1, de eigen woning en box 3), erf- en schenkbelasting, de wettelijke verdeling bij erfrecht, onderverzekering, assurantiebelasting en de depositogarantie. In casussen stel je ook een balans of een inkomsten-uitgavenoverzicht van een klant op. In de toetstermen valt rekenen onder vaardigheid 2a.1.
Krijg je deelpunten bij een rekenvraag?
Nee. Een rekenvraag is goed of fout: je typt alleen het eindantwoord, de uitwerking telt niet mee. Elke rekenvraag heeft een foutmarge, maar die staat er niet bij. Rond daarom tussentijds niet af en rond je eindantwoord af zoals de vraag aangeeft.
Hoe rond je af bij een rekenvraag over belastingen?
Bij vragen die met de Belastingdienst te maken hebben, rond je volgens de kandidatenbrochure van het CDFD tussentijds af op hele euro’s in het voordeel van de klant, zoals de Belastingdienst zelf doet. Bij andere rekenvragen rond je niet tussentijds af. Het eindantwoord rond je af zoals de vraag aangeeft.
Mag je een rekenmachine gebruiken bij het Wft Basis-examen?
Ja. Het exameninstituut geeft je een niet-programmeerbare rekenmachine, schrijfmateriaal en kladpapier. Een eigen rekenmachine, telefoon of horloge blijft buiten de examenruimte, en je aantekeningen lever je na afloop in.
Gratis mini-examen
Over een kwartier heb je je eerste cijfer.
Tien vragen in alle vijf vraagvormen, met een cijfer en per vraag een toelichting. Gratis, zonder account.
Doe het gratis mini-examenDaarna verder? De Basispas geeft je vijf volledige proefexamens en oefenen per onderwerp, met een toelichting bij iedere vraag: 90 dagen voor €24,95 of 21 dagen voor €17,95, vooraf in één keer, zonder verlenging.
Bekijk de Basispassen